SOCIALISTISCHE HISTORIE: Mao´s bloedige oogst

Met de “Grote Sprong Voorwaarts” wilde China van 1957 tot 1962 het Westen inhalen – maar het enorme rijk verzonk in een moorddadige chaos.

Acht jaar geleden was het, dat Mao Zedong op het Plein van de Hemelse Vrede in Peking de volksrepubliek had uitgeroepen. Vanaf de herfst 1957 wilde hij nu het merendeels agrarische grote rijk met alle geweld industrialiseren. China zette aan tot de “Grote Sprong Voorwaarts”. Maar toen de onderneming vijftig jaar geleden was afgelopen, was deze op de meest vreselijke wijze mislukt.

Volgens nieuw archiefonderzoek en nieuwe berekeningen – zoals die bijvoorbeeld door de Nederlands-Britse historicus Frank Dikötter in 2010 in zijn boek “Mao´s Grote Hongersnood” werden gepubliceerd – kostte de Grote Sprong aan minstens 45 miljoen mensen het leven. De meeste slachtoffers verhongerden. Daarbij komen minstens 2,5 miljoen mensen, die direct vermoord werden. Ook de materiële schade was enorm: Tot 40% van het totale Chinese woongebied werd verwoest.

Hoe kon het tot deze catastrofe komen, die tot de meest vreselijke rampen en misdaden van de 20e eeuw behoort?

Een van de reden was het waanzinnige tempo waartoe Mao opdracht gaf. In november 1957 verkondigde de Grote Voorzitter van de Communistische Partij, dat China binnen 15 jaar Groot-Brittannië zou inhalen. De termijnen werden de maanden daarna steeds opnieuw verkort. Het ging niet om een geplande ontwikkeling, maar om een unieke, enorme – en gewelddadige – druk.

Mao sprak voor het eerst van de “Grote Sprong” met het oog op de faraonische stuwdam- en irrigatieprojecten, waarvoor miljoenen boeren gedwongen werden verhuisd. “Drie jaar hard werken en ontberingen, daarna duizend jaar welvaart”, klonk de propaganda. Planning, mobilisering, bouw, alles moest tegelijkertijd plaatsvinden. Bijna niemand durfde hiertegen bezwaar aan te tekenen. In de maanden daarvoor had Mao iedereen, die sceptisch was, uit de partijleiding verwijderd.

Het paradeproject was een enorme stuwdam bij de graven van de Ming-dynastie bij Peking. Mao groef mee – een half uurtje. Het zou geen zegen zijn voor de bouw. Hij mislukte volledig. De bodem was niet stevig genoeg. Het water stroomde steeds weg. Na jarenlange vergeefse experimenten werd het project uiteindelijk stilgelegd. Eenzelfde lot trof het plan om de Tao He, een zijrivier van de Gele Rivier, in de provincie Gansoe “de berg op te brengen”. In de zomer van 1961 werden de werkzaamheden gestaakt. Af en toe hadden hier tot 160.000 mensen gezwoegd, onder vaak onmenselijke omstandigheden. 2400 arbeiders stierven ten gevolge van de ontberingen.

Datgene, wat wel af kwam, hield vaak niet lang stand. Veel dammen en kanalen braken of vervielen direct na hun voltooiing. Anderen ontwikkelden zich tot ware tijdbommen. Zo barstten er nog in 1975 twee grote dammen in Henan; 230.000 mensen verdronken. En zelfs daar, waar de bouwwerken hun doel vervulden, schijnen ze nauwelijks voordeel te hebben opgeleverd. In Henan in ieder geval werd in 1961 iets minder dan een miljoen hectare land geïrrigeerd, in het begin van de “Grote Sprong Voorwaarts” in 1957 was dit nog twee miljoen. In Hunan steeg het geïrrigeerde oppervlak met maar één procent.

Walter Ulbricht belooft suikerraffinaderijen en glasfabrieken

Kort na de mobiliseringcampagne voor de bouw van de stuwdammen begonnen partijactivisten de destijds nog redelijk zelfstandige landbouwcoöperaties in de dorpen te verenigen tot gigantische volkscommunes, die tot 20.000 mensen omvatten. De boeren werden onderworpen aan een militaire discipline. Ingedeeld in bataljons, in compagnieën en pelotons, moesten ze de “veldslagen winnen”. ´s Morgens marcheerden ze in het gelid, met de vlag voorop, naar de velden.

Om de campagne verder te militariseren, liet Mao in augustus 1958 de tot Taiwan behorende eilanden Quemoy en Matsoe beschieten. “Een gespannen situatie helpt om de mensen op te zwepen, vooral diegenen, die achtergebleven zijn”, legde hij uit. “Iedereen in ons land is een soldaat”.

Dat scheen een goede reden om boeren mee te laten doen aan militaire oefeningen; de meesten lieten het rustig over zich heen komen. Maar enkele mannen toonden betrokkenheid. Zij vormden uiteindelijk de milities, die de stormtropen van de “Grote Sprong Voorwaarts” werden.

Tegelijkertijd begon de weg naar de Grote Hongersnood. In afwachting van de collectivisatie hadden veel boeren hun dieren geslacht. De veebestanden van China stortten in elkaar. Daarom lieten de functionarissen bij de opbouw van de volkscommunes alle fornuizen, pannen en andere kookapparatuur confisqueren. Vanaf dat moment kon er alleen nog in de kantine gegeten worden. De locale autoriteiten kregen zodoende de controle over het eten van ieder individu.

En de druk bleef: Overal doken affiches en spandoeken met hoge productiedoelen op. Kaders, die astronomische plancijfers meldden, kregen als erkenning symbolisch een “rode vlag”. Als matig succesvol beoordeelde collectieven kregen een “grijze vlag”. Het toekennen van een “zwarte vlag” kon gevaarlijk worden: Lage productiecijfers golden als gebrek aan revolutionair enthousiasme. Dienovereenkomstig absurd werden de resultaten opgeblazen. Zo meldde de volkscommune Chayashan in Henan in februari 1958 een productiedoel van 4200 kilo tarwe per hectare. Tegen het einde van het jaar waren het volledig utopische 37,5 ton.

De boeren kregen opdracht de revolutionaire nieuwe methode van de “dichte beplanting” toe te passen: Rijstplantjes moesten heel dicht op elkaar in de grond gezet worden, het zaad zelf moest tienmaal dichter bij elkaar uitgezaaid worden. Het landbouwgenie Mao wees ook hier de weg: Zaaiplanten voelen zich het best als ze samen groeien”.

De boeren probeerden het ongeluk nog af te wenden. “Jullie zetten de zaaiplantjes te dicht bij elkaar”, waarschuwden ze de kaders, “die hebben geen ruimte om te ademen. En dan gebruiken jullie ook nog tien ton mest per veld. Zo verstikken jullie alles!” Vergeefse woorden.

Pompeuze bouwprojecten in de steden

De revolutie op het platteland diende de basis voor alle andere industrialisatie te worden. In afwachting van gigantische opbrengsten, met al recordexporten voor ogen, bestelde de Chinese leiding steeds meer fabrieken en machines in het buitenland, hoofdzakelijk in de Sovjet-Unie en andere Oostbloklanden. DDR-chef Walter Ulbricht beloofde suikerraffinaderijen, glas- en cementfabrieken. Bovendien wilde hij krachtcentrales leveren. Maar ook Groot-Brittannië en de Bondsrepubliek kregen opdrachten. Als tegenprestatie beloofden de Chinezen graan, rijst, katoen en spijsolie. En in Peking hield men zich inderdaad aan zijn woord, zelfs toen men dit tegenover de bevolking niet meer kon verantwoorden – dit was een kwestie van prestige.

Voor de aangekondigde grote oogsten had men mest nodig. In het hele land begon een koortsachtige zoektocht: Wier, as, afval – alles moest nu mest worden. Bijzonder gevraagd waren oude stallen, want in hun wanden zat beestenpoep. In het begin brak men alleen verlaten gebouwen af. Maar toen de campagne op gang kwam, werden gedeeltelijk ook gebruikte gebouwen ontruimd en afgebroken, de tegels vermalen en over de velden gestrooid. In de modelcommune Macheng gaf de voorzitter van de vrouwenbond het goede voorbeeld, vertrok uit haar huis en gaf toestemming om dit af te breken. Binnen twee dagen waren er 300 huizen, 50 koeienstallen en honderden kippenrennen afgebroken. Aan het einde van het jaar waren er in de wijde omgeving 50.000 gebouwen verdwenen.

Tegelijkertijd vereiste de opbouw van de volkscommunes bouwstoffen. Men had tegels nodig voor de nieuwe centrale gebouwen, voor magazijnen, voor kantines, voor slaapzalen en ziekenhuizen. In het district Dianjiang, provincie Sichuan, stak een collectief honderden strohutten in brand. “Vernietig strohutten in één avond, bouw woningen in drie dagen en sticht het communisme in honderd dagen”, luidde de leuze.

In de steden begon men aan pompeuze bouwprojecten. Het Plein van de Hemelse Vrede in Peking is hier een van. In 1959 werd het tot een oppervlakte van zestig voetbalvelden uitgebreid, er zouden 400.000 mensen op moeten kunnen. Daarvoor brak men onverbiddelijk middeleeuwse muren, gebouwen en straten af. Overal in het land werden tienduizenden huizen, fabrieken en kantoorgebouwen het slachtoffer van de pikhouweel. Buitenlandse vertegenwoordigers waren verbaasd: Sommige van de gebouwen waren pas kortgeleden gebouwd!

De meeste projecten werden niet afgemaakt. Vaak stopte men al na korte tijd met het werk, omdat er geen bouwmateriaal meer was. Vaak werd er ook alleen maar afgebroken en helemaal niet begonnen aan het nieuwe plein of de nieuwe straat. “Het algemene beeld”, becommentarieerde een diplomaat, “is chaos”.

De staalproductie diende de kern van de industrialisatie te worden. Deze lag Mao zeer na aan het hart. Ook hier grepen de functionarissen naar roekeloze ideeën. Zo diende iedere volkscommune zijn eigen hoogoven te bouwen. De oorspronkelijke constructies waren tot vier meter hoog en uiterst primitief. Om ze te voeden, trokken activisten en leden van de milities van deur tot deur en namen alles in beslag wat om te smelten was. Wie probeerde zich hiertegen te verzetten, werd gedreigd met buitensluiting uit de kantine. Toen een kaderlid zelf ertegen protesteerde dat de radiatoren uit een gebouw werden gesleept, verklaarde men hem tot “dissident”. Li Ying, een vooraanstaande partijgenoot, berichtte later, dat alleen al in Henan in 1958 meer dan 140.000 ton landbouwmachines in de ovens terechtkwamen.

Het resultaat was armzalig. Veel ijzeren staven uit de hoogovens van de communes bleken veel te klein en gescheurd te zijn om gewalst te worden. In veel provincies, aldus een bericht van het Ministerie van Metallurgie, was zelfs nog geen derde deel van het ijzer bruikbaar.

De hongersnood kondigde zich vroeg aan

De bouwplaatsen op het platteland en in de stad, zowel stuwdammen als hoogovens, hebben allemaal nog iets anders nodig: Veel hout. Overal velde men ongeorganiseerd bomen, hele bossen verdwenen in een mum van tijd. Toen in de op veel plaatsen meedogenloze winters het stookmateriaal schaars werd, gingen de boeren los op de eigen aanplant. In een plantage bij Peking werden 50.000 appel-, abrikozen- en walnotenbomen geveld.

De hongersnood kondigde zich vroeg aan. Al in maart 1958 maakten de gedelegeerden op een partijconferentie zich hier zorgen over. In veel streken was het voedsel schaars geworden, teveel boeren werkten aan de dammen i.p.v. op het land. Maar Minister van Financiën Li Xiannian legde de waarschuwingen naast zich neer.

In april greep de Grote Honger het hele land. In Guangdong leden een miljoen mensen. Ouders verkochten hun kinderen. In Hebei stroopten tienduizenden het land af op zoek naar iets eetbaars. Tijdens de zomer werd de nood niet minder, integendeel: Hij werd erger en in de herfst en de winter bijna overal ondraaglijk. Toen minister-president Zhou Enlai in december 1958 door Hebei reed, informeerde provinciechef Zhang Guozhong hem dat de modelcommune Xushui slechts 3750 kilo graan per hectare had geoogst: een vierde deel van de in de zomer verwachte hoeveelheid. Xushui hongerde. Zhou Enlai beloofde hulp. In veel gevallen echter meldden de plaatselijke kaderleden de magere oogsten helemaal niet naar boven, omdat zij hun “rode vlag” niet wilden kwijtraken. Met een zuiver geweten hielden daarom veel functionarissen van het opkoopmonopolie van de staat vast aan de verplichte hoge leveringen.

De moeilijkheden namen toe. Nog altijd wilde de nomenklatoera niets zien. “De zogenaamde graantekorten op het platteland zouden niets te maken hebben met een gebrek aan graan of aan de excessieve eisen van de staat”, oordeelde Zeng Xisheng, de partijchef in Anhui. “Het is een ideologisch probleem, vooral bij de plaatselijke kaders”. Dus werden de milities naar de dorpen en de communes gestuurd om de vastgestelde hoeveelheid op te halen. De milities namen wat er was. Mao´s paladijn Deng Xiaoping had de milities op het hart gedrukt om zo hard op te treden “alsof we in oorlog zouden zijn”.

De koers van de catastrofe was uitgetekend. En toch: Nog in de zomer van 1959 scheen een correctie even mogelijk. Mao riep de partijleiding bij elkaar voor een meerdaagse vergadering in het kuuroord Lushan. Maarschalk Peng Dehui had intussen zijn geboorteplaats Xiangtan in Hunan bezocht en wist wat zich afspeelde op het platteland. Hij was een ongebruikelijk moedige man, hij bekritiseerde Mao openlijk en kreeg wel degelijk steun. Maar op 2 augustus haalde de despoot uit voor de tegenaanval: “Het enige probleem dat wij nu hebben, is, dat rechtsgerichte opportunisten een wilde aanval op de partij, het volk en het grote en dynamische socialistische plan uitvoeren”. Hij plaatste de vergadering voor de keuze: Peng of hij.

Mao´s mensen bleven hem trouw. Zhou enlai vermeed het altijd om zich openlijk tegen hem op te stellen. Deng gedroeg zich net zo. Maarschalk Lin Biao bekende weliswaar in zijn dagboek, dat de “Grote Sprong Voorwaarts” gebaseerd zou zijn op pure “fantasie” en niets anders zou produceren dan “chaos”, maar hij waagde het niet uit de dekking te komen. Bovendien hoopte hij – terecht – om Peng te kunnen opvolgen als Minister van Defensie. Daarom prezen ze in Lushan, de ene na de andere, hun meester en verdoemden ze de “rechtse opportunisten”, die in de slotverklaring van de vergadering dan als samenzweerders tegen de partij, de staat en het volk “ontmaskerd” werden.

De milities woeden nog tussen de stervenden

Als Peng deze machtsstrijd gewonnen zou hebben en als de “Grote Sprong Voorwaarts” zou zijn afgebroken, dan zou het wellicht bij een hongersnood gebleven zijn, zoals China deze al in 1920/1921 of van 1928 tot 1930 moest meemaken, met twee tot drie miljoen doden. Zo echter hield de partij onder haar grote leider nog twee jaar aan haar koers vast – en leidde China nog dieper in de grootste hongercatastrofe van de wereldgeschiedenis.

Slechts weinigen boden verzet

Maarschalk Peng, die door Mao eerst gespaard en pas later, tijdens de Culturele Revolutie, vernederd en ter dood gemarteld werd, was niet de enige die verzet bood. Ook de slachtoffers verzetten zich. Boeren overvielen korenmagazijnen van de staat en treinen. In januari 1961 werd er alleen al vanuit Gansu bericht over 500 gevallen, in totaal “verdwenen” er 500 ton graan en 2300 ton kolen. Ook vonden er moordaanslagen op plaatselijke hoge partijleden plaats.

Dat gebeurde echter eerder zelden. Hongerende mensen worden veelmeer apathisch dan opstandig. Overal verdween de arbeidskracht en –discipline, zowel op het platteland als in de steden. De partij zette haar milities in. De kaderleden zelf moesten deze aanvoeren. Ou Desheng, partijsecretaris van een commune in Hunan, drukte kandidaten op ´t hart: “Als je partijlid wilt worden, moet je kunnen knokken”. In 1960 kwamen in één enkele regio van Henan meer dan een miljoen mensen om het leven. De meesten waren slachtoffers van de honger, van ondervoeding en de daaruit voortkomende ziektes, ongeveer 67.000 werden door de milities vermoord.

Toen er eind oktober 1960 een onderzoekscommissie naar de regio werd gestuurd, troffen de inspecteurs uitgemergelde mensen aan, die bij ijzige kou in de puinhopen van hun huizen verbleven. Alles wat brandbaar was, zelfs deuren en raamkozijnen, was al verstookt. In één dorp troffen ze slechts twee kinderen aan – vel over been – die naast hun rottende grootmoeder lagen: De enige overlevenden. Overal stuitten ze op massagraven. In eentje waren, zoals de inspecteurs te horen kregen, tien kinderen begraven, die nog geademd hadden.

Zelfs de natuur toonde zich niet genadig. In de zomer van 1959 had de regio ten noorden van Peking last van enorme regenval, die velden en dorpen verwoestte. Hetzelfde gebeurde in Guangdong, terwijl Hubei door de ergste droogte sinds decennia werd geteisterd. In 1961 kwam het opnieuw tot grootschalige overstromingen. De politiek van de “Grote Sprong Voorwaarts” versterkte deze gevolgen. De vele stuwdammen hadden de natuurlijke ontwateringsystemen vernietigd, kanalen en sluizen raakten verstopt en stroomden vol. Bovendien kon de bodem in verschillende regio´s na de kaalslag geen water meer vasthouden.

In 1961 bereikte de catastrofe zijn hoogtepunt. Miljoenen stierven. In april bezocht staatspresident Liu Shaoqi zijn geboorteprovincie Hunan en was geschokt. Op een partijconferentie in mei gaf hij de boeren gelijk, die zeiden, dat slechts 30% van de problemen de schuld van de natuur zou zijn, “70% is mensenwerk”. En hij gaf toe: “Het centrum is de hoofdschuldige, wij leiders zijn verantwoordelijk.” Hij noemde Mao niet.

Zhou Enlai hielp Mao zijn gezicht te bewaren en nam de verantwoordelijkheid voor alle fouten op zich. Li Fuchan, de voorzitter van de planningscommissie, begon het roer om te gooien. In plaats van rijst te exporteren, importeerde men deze nu. Op talrijke partijconferenties tussen 1961 en 1962 werden de richtlijnen van de “Grote Sprong Voorwaarts” ingetrokken. De boeren konden weer eigen pacelen bewerken, lokale markten werden toegestaan, men stopte met protserige projecten.

En Mao? Mao was humeurig en speelde beledigde. Hij ondernam echter niets. In ieder geval voorlopig niet. Maar slechts vier jaar later, in 1964, ontketende hij de volgende campagne: De Culturele Revolutie, een andere, laatste orgie van vernietiging.

Bron:

http://www.zeit.de/2012/17/Riesenreich-China/seite-1

Auteur: Wolfgang Zank

Vertaald uit het Duits door:

E.J. Bron (www.ejbron.wordpress.com)

Over E.J. Bron

www.ejbron.wordpress.com
Dit bericht werd geplaatst in China, Communisme, Links verleden, Socialisten. Bookmark de permalink .

3 reacties op SOCIALISTISCHE HISTORIE: Mao´s bloedige oogst

  1. Linsky zegt:

    Kijk, die Mao wist al hoe je effectief wijze aan ontvolking deed!

    Weet je, eigenlijk is het hartstikke goed dat dit soort krankzinnigen er zijn en dan ook nog eens de macht hebben. Je zou zeggen dat daardoor voor het volk duidelijk is wie ze in ieder geval niet als leider willen…………?! 😦

    En zeg nou niet dat het volk niets in haar mars heeft of machteloos is.
    Bijvoorbeeld, Kararte, Kung Fu, en meer van dat soort Martiale sporten zijn juist door het volk en monniken ontwikkeld.

    Door het verbod van de leiders voor het volk om wapens te dragen of te bezitten, creativiteit in het vechten met hun dorsvlegels, waar de latere Nun Chakos uit voortkwamen.
    De monniken op Okinawa, besteden bijvoorbeeld erg veel tijd en onderzoek naar het menselijk lichaam en ontdekte aldoende het zeer gevoelige zenuwstelsel…en tevens hoe een lichaam met geringe druk op de vitale knopen, tot verlamming leiden.
    Dat oefenden zij met elkaar, maar brachten die kennis ook over op de boeren in hun omgeving.

    Om precies te zijn:
    Het meest bekende voorbeeld van Okinawa’s culturele export is wel karate, dat is ontstaan uit de nauwe banden met China en haar invloed op de Okinawaanse cultuur. Karate wordt beschouwd als een synthese van Chinees kung fu en de traditionele Okinawaanse martial art; Okinawa-te. De 15e eeuw was de “Gouden Eeuw van Handel” voor het Ryukyu koninkrijk dat een florerend handelscentrum voor China en andere omringende landen was geworden.

    Een constante dreiging voor het internationale handelsverkeer vormde echter de piraterij waartegen de Okinawaanse zeelieden bescherming behoefte. Vanuit deze achtergrond ontstond de Okinawaanse krijgskunst, waarin technieken uit met name de Chinese- en ook andere zuidoost Aziatische krijgskunsten door de Okinawanen werd geïncorporeerd.
    De Satsuma clan voerde begin 1600 op de Ryukyu-eilanden een algemeen wapenverbod in. Voor de Okinawanen was dit -na een al eerder in 1477 door koning Hashi Sho ingevoerd wapenverbod- een tweede periode waarin het voor hen niet toegestaan was wapens te bezitten of martial arts te beoefenen.

    Niettegenstaande het wapenverbod, vormde deze perioden een gunstige context voor de ontwikkeling van de ongewapende zelfverdedigingskunst Okinawa-te, die op Okinawa uitsluitend in het grootste geheim werd beoefend en voor oningewijde verborgen werd gehouden.

    Deze kunst werd volgens traditie mondeling overgebracht van leraar tot leerling waardoor er echter nauwelijks boeken of geschreven getuigenissen zijn. Pas eind negentienhonderd werd het verbod op de martiale kunsten opgeheven. Na het uiteenvallen van het koninkrijk en de annexatie in 1879 van Okinawa werd de krijgskunst opgenomen in het openbare onderwijssysteem van Okinawa. Niet veel later, circa 1910-1926 ontstonden de eerste publieke demonstraties op het vasteland van Japan.

    Maar er is in al de afgelopen duizenden jaren helaas geen flikker veranderd. Het volk zal hoe dan ook figuren nodig hebben die hen wijze en richten.

    Het zal me daarom niet eens benieuwen hoeveel schapen er weer gaan stemmen op deze op gene,….ter realisering van de laatste islamitische Culturele Revolutie, een laatste orgie van totale vernietiging!

    Like

  2. koddebeier zegt:

    Het zou verplicht leesvoer voor Sp-ers moeten zijn, dat gore stelletje Mao vereerders!!

    Like

  3. louis-portugal zegt:

    Ik zag een titel op een boek van een zeer bekend chinees schrijfster die het aantal slachtoffers van MAO schatte op 50 tot 80 miljoen.
    Lekkere club die communisten.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s