LONGREAD: De protestgeneratie

Screenshot_9

Overijsselse Vecht

(Door: “Taljaard”)

Wat wist een destijds 11-jarig jochie in een buurtschapje nabij een dorp in Noord-Overijssel van de hem omringende wereld? Wij schrijven het jaar 1968. De beide broers Aldewereld werkten op de textielfabriek en hadden voor wel 40 gulden vuurwerk gekocht om het nieuwe jaar in te luiden. De hele buurt vergaapte zich eraan. Dat was nog eens wat anders dan een paar keer met carbid en een oude, lekke melkbus knallen. Ook het jochie, dat toen voor het eerst op Oudejaarsavond mocht opblijven, had er groot plezier van.

Hij had intens van de kerstvakantie genoten, want in de eerste dagen ervan lag er sneeuw en waren de talrijke sloten en vaarten dichtgevroren. Met de andere kinderen uit de buurt krabbelde hij op zijn houten doorlopers, die hij voor sinterklaas had gekregen, naar het dorp en weer terug en maakte hij sneeuwhutten. De meeste vaders in het buurtje werkten in de bouw en waren dus thuis. Zijn vader was een goed schaatser. En hij had hem en zijn jongere broertje twee feestelijke dagen achter elkaar met de auto naar de ijsbaan in het vijf kilometer verderop gelegen dorp gereden. Trots hadden zij toegekeken hoe deze grote bonkige man, met een schaatsmuts op, in een blauwe overall en noren aan zijn voeten, met zijn handen op de rug en beentje over, een paar rondjes over de ijsbaan trok en sneller was dan nagenoeg iedereen.

Daarna had hij hen beiden onderwezen in deze typisch winterse bezigheid en hen getrakteerd op snert en warme chocolademelk, terwijl hijzelf dan, met enige andere mannen, plaatsnam op de bank naast de ijsbaan en met hen praatte over zaken als werk, politiek, het beroep dat de dominee had gekregen en een mogelijke Elfstedentocht; genoeglijk zware Van Nelle dampend. De dag erop was nog leuker, want toen ging moeder ook mee. Hun vader had zijn noren verwisseld voor een paar gehuurde kunstschaatsen, waarmee hij, samen met zijn echtgenote, gearmd over het middengedeelte van de ijsbaan zwierde.

Groot was de teleurstelling van het jochie en zijn broertje, maar eigenlijk ook wel van hun ouders, toen twee dagen voor de Kerst de dooi inviel. Maar de kerkdienst op kerstavond, waar het mannenkoor zong en de fanfare speelde, had veel goed gemaakt. En het dooiweer had ook wel weer zijn voordelen. Want nu hoefde het water `s nachts niet meer worden afgesloten en kon de accu in de auto blijven in plaats van `s avonds naast de kolenkachel in de kamer te worden gezet, omdat de auto anders niet zou starten. Moeder Jaantien had op Eerste Kerstdag heerlijk gekookt, met maar liefst twee hele gebraden kippen, in de oven van het fornuis geroosterde aardappels en heerlijke rijstpudding met room, rozijnen en kaneel, toe.

En toen zij op Tweede Kerstdag bij oma langs gingen, die twaalf kilometer verderop woonde, werden hij en zijn broertje beiden getrakteerd op rode port waar oma honingraat, saffraan en kruidnagel in had laten trekken. Dat smaakte heel erg lekker, maar hij werd er wel vreemd licht van in zijn hoofd. En hij neuriede op de terugweg, samen met zijn broertje op de achterbank van de zwarte Opel Rekord P2 uit 1962, een Psalm die zij vanochtend in de kerk hadden gezongen. Oma handelde in vee. Zij was de moeder van hun moeder, maar bijna net zo groot en fors als vader. Zij droeg lange, zwarte rokken tot op de enkels en had altijd een witte muts op haar hoofd, die deed denken aan de vitrages thuis voor de ramen. Zij gebruikte woorden als ”slim” voor ”erg”, ”aggene nie”, wanneer zij ”helemaal niet” bedoelde. Ze zei ”wulle”, wanneer ze ”ons” bedoelde, en ”hulle”, wanneer ze ”zij” bedoelde. En ze zei altijd ”hij”, ook wanneer zij daarmee naar een vrouw verwees; oud Hollandschevelds Drents. Vader zei ”Zwoane” tegen haar, want zij heette Zwaantje, en moeder gewoon ”moe”, net als hij tegen zijn moeder. Maar hij moest ”opoe” tegen haar zeggen. Zij had een grof, hard gezicht en een stem met een snauwende ondertoon. Maar wanneer zij tot hem en zijn broertje sprak, werden haar ogen vriendelijk en haar stem zacht. Dan leek zij opeens heel veel op hun eigen moeder. Een bezoek bij haar was altijd prettig.

Zijn opa had hij nooit gekend, want die was in de oorlog vermoord door de Moffen. Wanneer opoe daarover sprak, en dat deed zij veel, werd haar gezicht nog harder en haar stem nog norser. Soms brak dan haar stem en begon zij te snikken. Zijn jongere broertje droeg de naam van zijn overleden opa.

Een televisie hadden zij thuis niet. Dat wilde moeder niet hebben, want net als opoe vond zij zo’n ding van de duivel. En ook een kerstboom kwam tijdens de feestdagen bij hen niet in huis, want dat was heidens en had niks met de geboorte van de Heere Jezus te maken. Wat zij wel hadden, was een radiomeubel, waar ook een platenspeler in zat. Wanneer vader op zaterdagmiddag terugkwam van zijn werk moesten zij in de wastobbe voor het fornuis in de keuken. Daarna kregen zij een pyjama aan en mochten zij tot negen uur opblijven. Er werden dan een paar stoelen aan de kant gezet en platen op de platenspeler gelegd. Dan dansten vader en moeder voor hun ogen door de kamer op platen als ”Ich tanze mit dir in den Himmel hinein” en ”Rote Rosen, roter Lippen, roter Wein.” Maar daarna moesten zij beiden snel naar bed. En zij hoorden dan dat hun ouders dat ook deden; altijd erg vroeg. Maar slapen deden zij dan niet direct, want soms hoorden zij moeder giechelen en het bed in de bedstee aan de andere kant van de kamer kraken. Zij wisten niet beter, of het hoorde zo.

Om de paar weken was moeder soms prikkelbaar en snauwerig. Wanneer vader dan thuiskwam vroeg hij haar: ”Weer niks?” Dan zuchtte zij: ”Weer niks, Remmelt.” ”Maar wij hebben toch twee mooie en gezonde jongens, meissie van mij?” Dan gaf zij haar man gelijk en werd zij ook weer wat vriendelijker tegen hem en zijn broertje. Wat dat allemaal inhield wist hij niet. Een van die onbegrijpelijke grote mensen dingen, die hem eigenlijk ook niet zo interesseerden. Net zo onbegrijpelijk als de dingen waar de dominee het in de kerk soms over had. En net zo onbegrijpelijk als de nieuwslezer op de radio. Die sprak in ernstig Hollands, dezelfde taal die de meester op school en de dominee gebruikte, over dingen als ”Fjetnam” en het ”Tettoffensief” van de ”Fjetkong”, over ”onrust in Sjeggoslovvakijen”, het ”Warsjouwpak”, een meneer, die ”Jonson” heette, president van Amerika was en die te maken had met iets als ”Wassington”. Daar luisterde moeder overdag vaak naar en zij las ook de krant.

Die krant heette ”Trouw”, maar die gebruikte hij alleen maar wanneer hij `s morgens soms de kachel mocht aanmaakten, met houtjes en petroleum erbij. Dat kon hij beter dan zijn moeder, die de hendel van de regelklep vaak niet goed bediende, zodat de kamer vol rook kwam te staan wanneer het buiten mistig en windstil weer was en de schoorsteen daarom slecht trok. Dat gebeurde hem niet en daar was hij maar wat trots op. Maar de laatste tijd begon hij deze krant ook te lezen. Hij las graag en had de hele schoolbibliotheek bijna al uit. Het meeste wat er in de krant stond begreep hij niet, of maar half. Maar sommige dingen wel. Hij zag foto’s van jonge mannen met lang haar en baarden, die veel leken op de tekeningen in de kinderbijbel van profeten, apostelen en de Heere Jezus Zelf. Maar zij gedroegen zich helemaal niet zo. Zij stonden op straat, met beddenlakens aan stokken, waar zij dingen op hadden geschilderd als ”Stop Vietnam!” en ”Johnson moordenaar.”

Hij leerde er een paar dingen uit. Het Warschaupact had dus niks te maken met zondagse herenkleding uit de hoofdstad van Polen, maar iets met Rusland. Tsjechoslowakije was een land ergens in de buurt van Oostenrijk. En Vietnam ook, maar dan heel ver weg in de buurt van Oost-Indië, waar Ome Geert nog gevochten had. Vietnam hoorde dus bij Amerika, zoals Oost-Indië ook bij Nederland had gehoord. En daarom, zo redeneerde hij, was het nu ook oorlog daar. Zou dat ook aan die gemene en slechte meneer Soekarno liggen? Want die was ook met de oorlog in Indië begonnen. Hij besloot dat de volgende dag maar eens aan de meester op school te vragen. Die legde hem, en de hele klas, uit wat er eigenlijk aan de hand was in Vietnam.

Maar meester Algera had geen goed woord over voor die jonge mannen met lang haar in Amsterdam. Hij noemde ze ”goddeloze, domme en misleide kinderen.” En hij gaf zijn klas daarna een hele middag les over het communisme, over Rusland, Cuba, Tsjechoslowakije, Hongarije, Stalin, Chroetsjow, de vermoorde president Kennedy en de toestand in de wereld. Hij moedigde ten slotte de hele klas aan om ook de krant maar eens te gaan lezen. En wanneer ze dan vragen hadden, waarop hun ouders het antwoord niet wisten, konden ze bij hem terecht. Meester Algera kon boeiend les geven en heel goed vertellen. Hij was al in de zestig en hoofdonderwijzer op de gereformeerde dorpsschool, waar hij de vijfde en de zesde klas onder zijn hoede had. Hij droeg altijd een zwart pak met een gilet waar een horlogeketting in hing. Een lange magere man met gemillimeterd wit haar en doordringende grijze ogen, die alles zagen, achter een ouderwetse ronde bril met dikke glazen. Hij was streng en autoritair. De kinderen hadden een groot ontzag voor hem. De meeste ouders trouwens ook, omdat hij ouderling in de kerkenraad en scriba van de kerkelijke gemeente was. Maar hij kon ook vriendelijk zijn, hield van een geintje en wanneer een jongen of meisje iets grappigs zei, lachte hij bulderend met de klas mee.

Zijn broer zat in de Tweede Kamer, en later in de Eerste Kamer, voor de A.R.P.. En meester zelf had, net als vader en Ome Albert, tijdens de oorlog in een Duitse gevangenis gezeten. Vader en de meester konden goed met elkaar opschieten. Vader noemde hem, wanneer zij elkaar soms tegenkwamen, gewoon ”Henk” en ook de meester sprak hem aan met ”Remmelt”. Maar plat sprak de meester nooit, zoals de dominee dat vaak wel deed wanneer die ergens op huisbezoek kwam. Hij sprak Hollands, maar toch een beetje anders dan de dominee en de mensen op de radio. Er zat iets zangerigs in en sommige klinkers werden anders door hem uitgesproken. Moeder zei dat meester Algera uit Friesland kwam en dat, wanneer hij zijn eigen taal zou spreken, bijna niemand hem zou kunnen verstaan.

Het ging na de kerstvakantie nog een dag of tien flink winteren in februari. Meester Algera organiseerde op een vrijdagmiddag een schaatswedstrijd op de ijsbaan voor de kinderen uit zijn twee klassen. Omdat het jochie van zijn vader goed schaatsen had geleerd, won hij zowaar een prijs, bestaande uit een verzilverd palmtakje uit de eigen prijzenkast van de meester, waarvan het embleem van de konijnenfokvereniging was afgeknipt. Daarna viel de dooi weer in en werd het voorjaar.

De kinderen uit de buurt zochten brandbare rommel bij elkaar voor het paasvuur. En een paar dagen voor Pasen mochten zij van boer Visser daarvoor een platte sleepwagen lenen. Het ging intussen niet goed in Tsjechoslowakije, zo las hij in de krant. De Russische communisten rolden, net als de Duitsers dat in ons land hadden gedaan, met tanks de hoofdstad Praag binnen en zetten de regering af. Een Quisling, het jochie had al geleerd wat die naam betekende, genaamd Husák werd door de Russen in de plaats van die arme meneer Dubček gezet. Zowel de dominee in de kerk als meester Algera op school lieten voor Tsjechoslowakije bidden. Buurman Aldewereld hoorde niet bij onze kerk. Hij was Nederlands Hervormd, maar ook socialist. En wanneer hij kwam buurten, sprak hij smadelijk over ”die imperialisten in Amerika, die brandbommen op doodarme stumpers in Vietnam gooien.” En over ”dat rijkeluiszoontje van een Kennedy, die de hele wereld bijna in de fik heeft gezet.” Buurman Hilbert gebruikte dus dezelfde woorden als die jonge mannen met lang haar uit de krant. Maar wanneer die soms ter sprake kwamen, had hij het over ”langharige werkschuwen” en ”kinders van ouders met te weinig verstand en te veel tijd en geld.” Hij concludeerde dan, kauwend op een tabakspruim, dat de appel wat dat betrof niet ver van de boom viel. En dat zulk volk hard zou opknappen van een paar maanden achter de schop in de nieuwe IJsselmeerpolder. Want, hoewel buurman Hilbert eigenlijk timmerman was, bediende hij de shovels, hijskranen en bulldozers van een groot grondwerkbedrijf. Dat betaalde namelijk beter.

Hij was een korte, maar brede en forse man, die altijd een alpinopet droeg. Volgens zijn vrouw, buurvrouw Dina, zette hij die bij het opstaan het eerst op en bij het naar bed gaan het laatste af. Bij hen stond wel een televisie in de huiskamer. Zijn oudste zonen, de tweeling Jan en Roelof, droegen vetkuiven en hadden beiden een knalrode opgevoerde Kreidler Florett, gekocht van hun loon op de textielfabriek. Zij hadden van de schuur van hun vader een soort van jeugdhonk gemaakt voor de adolescenten uit de buurtschap, waar platen werden gedraaid met wat hun vader, en ook die van ons, misprijzend ”Amerikaans geschreeuw” noemden. Voor ons buurjochies was de toegang aldaar ten strengste verboden. En dat zowel door onze ouders als door de halfgoden Jan en Roelof zelf. Jan en Roelof hadden twee jongere zusters, Giny en Betsie. Giny werkte als winkelmeisje bij de damesmodezaak van Veurink, waar onze moeder nooit zou komen, omdat Veurink Rooms was. En Betsie zat nog op de huishoudschool. Twee struise meiden van 17 en 15. Zij hadden blond haar in een filmsterrencoup en droegen rokken met pettycoats. Omdat zij nogal knap waren, zaten bijna alle jongens uit de buurt en het dorp achter deze zusjes aan. De dorpsjongens hadden geen kans, want die werden geconfronteerd met Jan en Roelof. En zij zouden het nooit toestaan dat een ”kakker uit het dorp” het aan zou leggen met hun zusters ”van de Wieke.”

Betsie Aldewereld was het eerste vrouwelijke wezen waar het jochie anders naar keek dan naar anderen. Hij vond haar op een vreemde manier mooi en aantrekkelijk. Hij kreeg er een beetje hetzelfde  gevoel bij als bij het kijken naar jonge katjes. Maar aanspreken durfde hij haar natuurlijk niet en voor haar was hij slechts een van de twee buurjochies waarop zij wel eens mocht passen wanneer hun ouders naar een bruiloft waren.

Buurvrouw Dina was dik. Een goedlachse en praatgrage vrouw die haar eigen brood bakte en ons buurjochies soms trakteerde op warm, vers brood met Nutella; een heerlijkheid. Zij droeg bijna altijd krulspelden in het haar, gebloemde schorten voor haar dikke buik en tripklompen met grijze wollen sokken aan haar voeten. En dan was er bij Aldewereld nog een grote hond; een kruising tussen een Bouvier en een Duitse Herder, die eenvoudigweg ”Hond” heette. Voor ons was hij vriendelijk, maar voor vreemden een ware Cerburus. En hij waakte zowel over ons erf en huis als dat van de buren. Dat had soms wel eens tot gevolg dat wij onze post en onze krant bij buurman en buurvrouw Nijhuis moesten ophalen, die naast Aldewereld woonden. Want zowel de postbode als de krantenbezorger hadden het dan niet aangedurfd om ”Hond” te trotseren.

Dan ging het voorjaar over in de lente en de lente in de zomer. De buurtkinderen speelden buiten. De wat oudere meisjes hielpen hun moeders soms ook met het huishouden, terwijl de oudere jongens hun vaders dan hielpen met het werken in de tuin en de verzorging van het varken. Want vrijwel iedereen in de buurt hield er een of twee van die beesten op na. Op warme dagen vertrokken de jongens op hun fietsen naar de naburige Overijsselse Vecht. Daar leerden zij spelenderwijs zwemmen en waren soms hele hete en lange dagen in de weer met zwart geteerde boten, hengels, fuiken en het duiken naar voorwerpen. Hun blonde haren werden bijna wit en hun huid eerst rood en daarna diepbruin. Voetballen was niet echt populair bij ons. Dat was meer iets voor de ”kakkers” uit het dorp, die ook in die betonnen chloorbak daar zwommen en zich daar moesten laten afsnauwen en commanderen door badmeester Meijer, die vieze NSB-er. Zo fout als wat was die vent in de oorlog geweest. Geef ons de Vecht dan maar.

Het menu thuis bestond `s zomers nogal eens uit paling, karper en snoek die dan door ons jongens waren verschalkt. Op vakantie gaan deed niemand. Want de moestuin moest worden bijgehouden, de varkens gevoerd en het was zonde van je goede geld. En waarom zou je? Je woonde midden in de vrijheid en alles waar die lui uit de stad en uit het dorp zo naar verlangden, was bij ons volop voorhanden. In augustus, vlak voordat de school weer zou beginnen, was er de afleiding van de graanoogst. Dan gingen wij bij de boeren schoven binden en aren lezen. Daar gaven zij een zilveren gulden of rijksdaalder per dag voor en het jochie mocht voor het eerst van zijn leven het rijden van de trekker beproeven, zij het niet sneller dan stapvoets. Jan en Roelof Aldewereld laadden met ontblote bovenlijven de korenschoven hoog op de sleepwagen, terwijl boer Harm Visser bedaard een pijp rokend op het spatbord van de trekker zat; een oude man met een grijze ringbaard om een gerimpeld, vriendelijk en verweerd gezicht met een zwarte zijden pet op zijn kale hoofd. Hij was de oudste ouderling van onze kerk. Het grote verdriet van hem en zijn vrouw Geessien was hun enige zoon, die aan tuberculose was overleden. Voor het jochie en zijn jongere broer was boer Visser een soort van surrogaat opa, terwijl het echtpaar Visser de kinderen uit de buurt behandelden als surrogaat kleinkinderen. Hij noemde hen ”mien jonchien” en ”mien deerntien.” Zijn vrouw stotterde, kwam daarom erg moeilijk uit haar woorden en was hoogst zwijgzaam. Het waren lieve oude mensen.

Harm Visser leerde het jochie en zijn broertje de kunst van het melken met de hand en het verzorgen van kalfjes. Hij toonde hen eerbiedig de ingelijste eervolle vermelding aan de wand van hun betegelde woonkeuken, waarop stond vermeld dat Harmen Johannes Visscher in Israël tot de rechtvaardigen behoorde, omdat zij tijdens de oorlog een heel Joods gezin twee jaar lang verborgen hadden gehouden. Niemand uit de buurt had daar toen iets van gemerkt. Geessien zei om te beginnen al geen drie woorden op een dag en Harm wist dingen goed verborgen te houden. Hun met bemost riet gedekte boerderij, waar de spouwankers in de voorover leunende gevel het jaar 1823 vermeldden, stond ook een behoorlijk eind van de weg af in de eenzaamheid.

Dan ging de zomer over in de herfst. Het fruit was rijp. En de kinderen aten zich ongans aan bramen, frambozen, zwarte bessen, zure, harde appels en peren. Betsie Aldewereld deed raar de laatste tijd sinds zij in de stad als dienstbode bij een medisch specialist werkte. Zij liet haar haar groeien tot op de billen, liep in strakke broeken en luisterde naar platen waar haar broers afkeurend over spraken. Ook met haar ouders boterde het niet meer. Zij schopte ruzie met haar vader over zijn opvattingen aangaande de stadsjeugd en vertikte het om haar moeder in het huishouden te helpen. Moeder Dina klaagde bij onze moeder dat die stadslui hun Betsie hadden verpest en dat zij daarom helemaal gek was geworden. Er was geen land meer met dat jong te bezeilen de laatste tijd. En alleen omdat Hilbert had gedreigd haar in haar blote kont met een stok door het dorp heen te jagen, had zij ervan afgezien om in zo’n vreselijke minirok er, als een hoer, bij te gaan lopen.

Gelukkig paste Giny wel goed op. Die had vaste verkering met Albert Vos en zou volgend jaar trouwen. Maar Betsie noemde dat ”kleinburgerlijk”, of zoiets. Kon buurvrouw zich dat voorstellen? Zo’n snotaap van amper 16, die zulke dikke woorden gebruikt. Zij mocht als arbeiderskind nog blij wezen tot de burgerstand te horen! Straks wordt zij nog bij het jong gedrukt. Want ze gaat om met jongens van dokters en notarissen en dat soort volk uit de buurt waar zij werkt. Die hebben allemaal van dat rare lange haar en trekken zich niks aan van fatsoen en normaal doen. Maar wanneer zij onze Betsie dan wat aandoen, kun je er vergif op innemen dat zij geen van allen met haar mogen trouwen van hun sjieke ouwelui. Want zij studeren allemaal nog aan de hogeschool en de universiteit en gaan vast geen vader spelen. En wat moet je dan? Dan krijgen Hilbert en ik op onze oude dag nog een onecht jong over de vloer. Reken daar maar op! Maar zij luistert niet naar ons, buurvrouw. Wat moeten wij toch, ach (snik) wat moeten wij nou toch? Moeder wist het ook niet, maar ze zou het haar man Remmelt eens vragen. Die wist meestal wel raad.

Onder het avondeten werd vader Remmelt door moeder Jaantien van het dilemma van Hilbert en Dina, over Betsie, op de hoogte gebracht. Hij ging na het eten een half uurtje buiten op de tuinbank tegen de westelijke muur zitten nadenken, pijnzend aan een zware Van Nelle trekkend. ”Hond” lag aan zijn geklompte voeten. Toen stond hij op om met Hilbert en Dina te gaan praten. Hij vroeg hen naar de namen van die langharigen uit de buurt waar Betsie werkte. Rudolf Jan ter Vuuren, Ronald Uyttenbogaard, Marnix Beekebrede, Matthijs ten Bokkel Huyninck. Inderdaad, sjiek volk. De namen waren bekend, maar de adressen niet. Maar bij Nijhof hadden ze telefoon, dus ook een telefoonboek. Omdat die sjieke lui toch allemaal bij elkaar in een buurt woonden en die namen ook vrij makkelijk waren na te speuren, was het vinden van de adressen niet moeilijk. Zij werden door Remmelt met een timmermanspotlood in zijn zakagenda geschreven. Hilbert keek bezorgd. Wat was die gereformeerde dwarskop van een Remmelt in vredesnaam van plan? Wanneer hij die langharige ruikeluiszoontjes zou gaan opzoeken om ze dan te gaan dreigen en slaan, kreeg je de grootste trammelant met de politie. Zoiets kon je flikken bij gewone arbeidersjongens, maar niet bij zoontjes van zulke hoge pieten.

Hij maakte zijn zorgen en bedenkingen hierover bekend bij Remmelt. Die antwoordde Hilbert dat hij dit ook wel wist, met de toevoeging: ”Jammer genoeg.” De beide buurmannen reden in de zwarte Opel naar het dorp. Zij belden aan bij het huis van bovenmeester Algera. Na enig overleg kwam er het volgende uit; meester Algera zou een waarschuwende, maar nette, brief opstellen naar de ouders van deze knapen. En wanneer Hilbert er als Hervormde geen bezwaar tegen zou hebben, zouden hij en broeder Visser, in hun hoedanigheid als ouderlingen van de gereformeerde kerk, een bezoek brengen aan de werkgevers van Betsie. Dat kind moest daar hoe dan ook zo snel mogelijk weg en zij zouden die dokter en zijn vrouw daartoe wel kunnen bewegen. Laat haar maar op het dorp werken; uit de buurt van die studentjes met hun gevaarlijke gekkigheid, maar in de buurt van haar ouders en iedere avond en nacht gewoon thuis.

Betsie kreeg een week later van mevrouw Beck te horen dat ze tot het besluit was gekomen een deel van het huishouden zelf weer te doen nu haar kinderen al zo groot waren. Voor het zware werk zou zij een paar uur per week een schoonmaakster uit Zwolle zelf inhuren. Betsie kreeg een goed getuigschrift van haar mee, omdat zij best wel een harde werkster en een net meisje was. Maar er zat geen toekomst meer in het dienstbodewerk en Betsie kon beter ergens anders gaan werken. Dan verdiende zij ook meer, etc. Zij vond het niet leuk, maar moest mevrouw Beck daarnaast ook wel gelijk geven. Zij kon, op voorspraak van meester Algera, de week daarop al een baan vinden bij de wasserij op het dorp. Daar stond zij tussen voormalige klasgenoten en meiden uit het dorp en het buurtje. En zij merkte na een paar dagen dat dit haar toch beter beviel. Veel gezelliger. En die jongens uit Zwolle waren wel leuk, maar zij hoorden toch niet echt bij haar en haar soort mensen, waartussen zij het veel meer naar haar zin had en ook gewoon zichzelf kon zijn. Het zou heel moeilijk zijn geworden met zulke jongens. En misschien hadden va en moe ook wel gelijk. Zo werd de 16 jarige Betsie Aldewereld nog bijtijds gered uit de klauwen van de protestgeneratie.

In de late herfst, nadat de varkens waren geslacht en in de diepvrieskisten verdwenen, hoorde vader Hilbert een lied op de radio wat hem de stuipen op het lijf joeg. Een jonge zanger, die Boudewijn de Groot heette, zong;

”Arm kind, zestien lentes zo pril;
ach wat lig je hier stil,
langs de kant van de weg.”

Echt vroom was Hilbert niet. Maar hij nam niettemin zijn alpinopet af en dankte God in gebed dat zijn kind voor zo’n vreselijk lot bewaard was gebleven.

Door:
“Taljaard”
(voor www.ejbron.wordpress.com)

Over E.J. Bron

www.ejbron.wordpress.com
Dit bericht werd geplaatst in Algemeen. Bookmark de permalink .

18 reacties op LONGREAD: De protestgeneratie

  1. Roeland zegt:

    Muziek zegt soms meer als woorden. In 1968 hoorde je dit vaak op de radio. Ja, ik hoorde dat toen ook al.

    Like

  2. Driek zegt:

    Echt vroom was Hilbert niet. Maar hij nam niettemin zijn alpinopet af en dankte God in gebed dat zijn kind voor zo’n vreselijk lot bewaard was gebleven.

    Beste Taaljaard, ik heb genoten van uw verhaal. Schitterend. Ik doe het u niet na.

    Like

  3. Ed Ipskamp zegt:

    Prachtig geschreven en herkenbaar.

    Like

  4. Nou, knap gedaan, Taljaard!
    Eén van de weinige ‘longreads,’die ik in één ruk uit heb kunnen lezen.
    Heel herkenbaar allemaal, maarre….hier en daar ook wel wat beklemmend!
    Ik was 14 in 1968 en de generatie van mijn ouders -de laatste van voor de oorlog- was al net zo op-zeker-spelend als de generatie van ouders, die hier beschreven wordt. Ik herken het nog, min of meer, maar neem me niet kwalijk: Achteraf bekeken was het wèl wat van de gekke, dat die volwassenen zich toen nog met mekáárs kinderen bemoeiden en er voor zorgden, dat zo’n meissie haar baan in de stad kwijtraakte en weer ‘veilig’ in de wasserij op het dorp kwam werken, onder vaders en moeders vleugels.
    U spreekt daar duidelijk met warme, nostalgische gevoelens over, maar geloof me, dat had ook z’n negatieve kant: Geen goede voorbereiding op het leven in de buitenwereld, snapt U?
    En naar mijn bescheiden mening hebben zoiets als buren daar ook geen ene moer mee te maken!
    Mijn ouders hadden ook een handje van dat overbeschermende en wat hebben ze er uiteindelijk mee bereikt? Niente!
    Nooit erg best mijn eigen kost kunnen verdienen, met een probleemgeval getrouwd, relatief jong weduwe met twee kinderen en opgezadeld met een beperking, waarmee ik me nooit raad geweten heb. (En mijn ouders ook niet.) En nu, op mij 61ste, ben ik bezig met een inhaalslag, wat dus inhoudt, dat ik al een paar jaar alle gekke dingen uithaal, die ik me vroeger ‘uit mijn hoofd liet praten!’ Ik ben zelfs activiste geworden! (Pegida.) Leuk, alles bij elkaar, maar of het erg evenwichtig is……
    Als U het mij vraagt, mogen we blij zijn, dat ‘die goeie ouwe tijd’definitief achter ons ligt en dat de jeugd tegenwoordig wat meer ‘zelfbeschikkingsrecht’ heeft, zonder de supervisie van dat hele netwerk van volwassenen. Dat kán niet meer, in deze tijd, en niet zonder reden…..
    http://depatriotten.weebly.com/

    Like

    • Taljaard zegt:

      @Theresa
      Jeugdzorg en maatschappelijk werk doen het tegenwoordig zoveel beter?
      Zo’n meisje was gegarandeerd haar ongeluk in gerold tussen die elitaire stinkhippiies. Die knapen zouden haar gewoon hebben gebruikt en vervolgens afgedankt en met de gebakken peren laten zitten. En dat zag haar moeder haarscherp in.
      Die is niet dom (want ze leeft nog en woont in het verzorgingshuis waar mijn vrouw werkt).

      Like

      • Ad de Koning zegt:

        Taljaard, hier ben ik het helemaal mee eens, wat betreft jeugdzorg en maatschappelijk werk had ik een kennis die daar werkte, nou daar moet je verre van blijven, die doen het helemaal niet beter, daar deugt weinig van.

        Like

    • Ad de Koning zegt:

      Theresa, je weet dat ik het wat betreft “die goeie ouwe tijd” niet met je eens ben, ik ben helemaal niet blij dat die achter ons ligt. Ik was toen ook jong (20) en mijn ouders waren ook bezorgd, vooral mijn moeder, maar als ze ergens over twijfelde of ik het wel mocht omdat ze bang was dat er iets zou kunnen gebeuren zei mijn vader “laat die jongen toch”, en zo had ik meer dan voldoende vrijheid om te doen wat ik wilde en je vertelde je ouders natuurlijk niet alles. Ik kan er alleen maar met veel plezier aan terug denken. Ik had een schoolvriend waar ik al jaren thuiskwam en die bij ons in de straat woonde, zijn moeder was gescheiden en er kwam wel eens een vriend van haar op visite en dan zei mijn moeder tegen mij “ik heb liever dat je daar niet binnen gaat want dan zie je misschien dingen die je beter niet kunt zien” waar ik mij natuurlijk niets van aan trok en zei “ze gaan toch niet in de huiskamer zitten vrijen waar ik bij ben” en ik ging gewoon mijn eigen gang. En hoewel we goed met de buren omgingen zei mijn moeder ook wel eens, wat zullen de buren ervan denken als ik een bepaalde persoon mee naar huis bracht, maar dan zei ik “dat moeten ze zelf weten, de straat is vrij”. En daar denk ik toch met plezier aan terug want ik voelde mij toch echt wel vrij.

      Like

  5. tjonge zegt:

    wat een prachtig verhaal taljaard !
    en ook zo boeiend geschreven, normaliter vermijd ik “long reads” maar dit moest ik blijven lezen.
    het lijkt haast wel een boek.
    .
    heel leuk, spannend, intrigerend……..

    Like

  6. Elena zegt:

    Prachtig verwoord Taljaard.

    Wim Sonneveld – Het Dorp
    Thuis heb ik nog een ansichtkaart
    waarop een kerk een kar met paard
    een slagerij J. van der Ven.
    Een kroeg, een juffrouw op de fiets
    het zegt u hoogstwaarschijnlijk niets,
    maar ’t is waar ik geboren ben.
    Dit dorp, ik weet nog hoe het was,
    de boerenkind’ren in de klas,
    een kar die ratelt op de keien,
    het raadhuis met een pomp ervoor,
    een zandweg tussen koren door,
    het vee, de lage boerderijen.

    Refrein:

    En langs het tuinpad van m’n vader
    zag ik de hoge bomen staan.
    Ik was een kind en wist niet beter,
    dan dat nooit voorbij zou gaan.

    Wat leefden ze eenvoudig toen
    in simp’le huizen tussen groen
    met boerenbloemen en een heg.
    Maar blijkbaar leefden ze verkeerd,
    het dorp is gemoderniseerd
    en nu zijn ze op de goeie weg.
    Want ziet, hoe rijk het leven is,
    ze zien de televisiequiz
    en wonen in betonnen dozen,
    met flink veel glas, dan kun je zien
    hoe of het bankstel staat bij Mien
    en d’r dressoir met plastic rozen.

    Refrein:

    En langs het tuinpad van m’n vader
    zag ik de hoge bomen staan.
    Ik was een kind en wist niet beter,
    dan dat nooit voorbij zou gaan.

    De dorpsjeugd klit wat bij elkaar
    in minirok en beatle-haar
    en joelt wat mee met beat-muziek.
    Ik weet wel, het is hun goeie recht,
    de nieuwe tijd, net wat u zegt,
    maar het maakt me wat melancholiek.
    Ik heb hun vaders nog gekend
    ze kochten zoethout voor een cent
    ik zag hun moeders touwtjespringen.
    Dat dorp van toen, het is voorbij,
    dit is al wat er bleef voor mij:
    een ansicht en herinneringen.

    Toen ik langs het tuinpad van m’n vader
    de hoge bomen nog zag staan.
    Ik was een kind, hoe kon ik weten
    dat dat voorgoed voorbij zou gaan.

    Like

  7. hendrikush zegt:

    Geweldig verhaal dat allerlei herinneringen opfrist.
    Als je als stadjer door de dorpsjongens wordt verjaagd omdat je achter “hun” meiden aanzit herken je de sfeer uit dit verhaal helemaal.

    Like

    • Ja. En is dat dan zo positief te noemen?
      Het is inderdaad wel authentiek -Mijn moeder had vroeger ook van dat soort verhalen, maar achteraf bekeken zeg je immers: Wat verbééldden die knullen zich wel? “Hun” meiden! De moslims hadden het ze, GVD, niet verbeterd!
      Je leest bijvoorbeeld ook al in een boek als “Kees, de jongen”-dat speelde dan wel rond de eeuwwisseling- wat een minachting zo’n knul vanaf een jaar of twaalf toen werktuiglijk voor meisjes (“meiden”) had, hoe hij over ze dacht: “Ze konden toch dít niet, ze konden toch dát niet……Zij als meid……enzovoort” Geen kwaadaardigheid, maar toen een normaal denkpatroon. Laten we liever blij zijn, dat dat intussen gesleten is!
      http://depatriotten.weebly.com/

      Like

      • hendrikush zegt:

        Je terechte opstandigheid tegen die denkpatronen is ook een geschiedenisles.
        De tijd dat de vrouw alleen het aan-recht had is de tijd van onze grootouders.
        “Onze” generatie is losgebroken van de tradities die de mohammedanen nu weer importeren. Wij komen daar tegen in opstand maar moeten wel in het geweer om ons te handhaven.
        Mijn schaamtevolle aftocht had te maken met één tegen veel en de spierkracht van boerenjongens. Als moslim was ik vervolgens teruggekomen met een nog grotere groep om wraak te nemen. Maar “dat deed je toen niet; dat hoorde niet”.
        Fight or Fly, that’s the question.

        Like

  8. koddebeier zegt:

    Beste Taljaard chapeau !! Een mooi verhaal.

    Like

  9. alidas1 zegt:

    Taljaard.
    Van genoten .
    Komen er nog meer?

    Like

  10. Taljaard…bedankt.Ik druk rond 11 uur smorgens op Bron, om de dagelijkse ellende te overzien..tja een zelf kastijding ik weet het,maar nu heb ik genoten van jouw inbreng…doorgaan.MART BRASIL.

    Like

  11. Pingback: LONGREAD: De kleine wereld | E.J. Bron

  12. Pingback: LONGREAD: Wrijvingen | E.J. Bron

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s