LONGREAD: Het verraad van “Rooie Eppe”

Screenshot_69

(Door: “Taljaard”)

Oom Geert was een oudere broer van mijn moeder. Als jongen was het een echte wildebras en zette hij, samen met zijn kameraden, het dorp nogal eens op stelten. Zijn grootste wapenfeit was dat hij, samen met Hendrik Koekoek, de bijna volle plee-ton uit het ”huussien” van de veldwachter had gehaald en aan diens deurklink gehangen. Daarna hadden zij hard aan de bel getrokken en zich op klepperende klompen zo snel mogelijk uit de voeten gemaakt. Veldwachter Botter, bijgenaamd ”de Botterfik”, trok de voordeur van zijn dienstwoning hard open, met als resultaat dat de inhoud van zijn eigen plee-ton de gang in kledderde. Dat kon natuurlijk niet geheim blijven en het hele dorp lachte er smakelijk om. Ook veldwachter Botter kon er, toen de rommel was opgeruimd, de lol nog wel van inzien, want hij was in wezen een goedmoedig man.

Maar schoolmeester Gerrits ranselde hem hierom zo hard af dat Geert´s hemd door het bloed aan zijn rug plakte. Dat was zijn moeder Zwaantje te gortig. En ze wachtte meester Gerrits op een zaterdagmiddag, toen hij terugkwam van zijn wekelijkse drinkelag in het cafe’, langs de weg op met een paardenzweep. ”Jij mien kinders het bloed uit de rug ranselen? (zwiep!, pets!) Lillike miesgaster! (zwiep!, pets!) Ja, zo voelt dat! (zwiep! pets!) Lekker he’? (zwiep! pets!) Vieze drankneuze! Flik dat nog ies en ik stuur mien kerel op jou af! (zwiep! pets!) Die is niet zo genadig als ik. Dat overleef je niet, man! Die snijdt je de strot af als een motte en dondert jouw kreng in het heideven. Heurie?”

Moeder Zwaantje was een uit de kluiten gewassen vrouw, met door het werk gesterke handen en armen. Zij had ook lange benen en kon hard lopen, ondanks haar lange rokken. En zij had haar klompen voor de gelegenheid uitgetrokken. Maar na het dreigement met haar man, Hannes ”de Slachter”, zette de jammerende meester Gerrits er op zijn oude rikrak van een fiets zo de vaart in dat Zwaantje hem niet meer kon bijhouden. Daarna liet de meester Geert met rust. Ook zijn jongere broertje Reinder werd door hem angstvallig ontzien. Toch konden deze broertjes goed leren, maar van doorleren na de lagere school was natuurlijk geen sprake voor zoontjes van een eenvoudige huisslager uit een Drents dorpje. Geert werd als inwonend boerenknechtje verhuurd op Staphorst; voor de kost, twee paar klompen en drie rijksdaalders per jaar. En Reinder ging na zijn schooltijd als knechtje bij de dorpssmid in de leer.

Wij schrijven dan het jaar 1933. Geert kon goed aarden bij boer Dunnink, die schik had in het kwieke en schrandere jongetje. Ook met de andere knechten en meiden kon hij goed overweg. Jan Dunnink was een van de grootste boeren van Staphorst en had wel vijf inwonende knechten en meiden. `s Ochtends om half vijf liet hij de bel boven de baanderdeur galmen. Om vijf uur begon men met melken en voeren. Wanneer dan de 24 volle melkbussen voor de coöperatie aan de weg stonden en het vee was gevoerd, werd er om half acht ontbeten in de grote woonkeuken. Daar stond een lange tafel met 12 roodgelakte stoelen met biezen matten tegenover elkaar. Aan het hoofd van die tafel stond een stoel met armleuningen. met daarvoor een grote, opengeslagen Statenbijbel; de plaats van de boer. Boven die tafel hingen twee geelkoperen petroleumlampen aan de balken van de zoldering. In de hoek naast de deur naar de deel stond een traag tikkende massieve staartklok op de met rode estriken belegde vloer. En voor het grote open haardvuur in de schouw hing een al even massieve zwart ijzeren haardplaat, met daarop een afbeelding van koning-stadhouder Willem III te paard, tijdens zijn glorieuze overwinning op de Roomse Jakobijnen in Ierland in het jaar 1690. Bij elke maaltijd ging de boer eerst voor in gebed en werd er voor het verlaten van de tafel door hem een stuk uit de Bijbel gelezen.

Geert was het hulpje van de paardenknecht. Hij moest de tuigen poetsen en in het vet houden, de wagens schoonhouden, de wielnaven ervan smeren met wagensmeer, de mestkarren teren, de ploegen, eggen en andere landbouwwerktuigen waar paarden aan te pas kwamen schoonhouden en in de blauwe verf en de menie zetten en de ijzeren banden van de wagens met vaseline insmeren tegen de roest. Daarnaast moest hij de paardenstallen aanvegen en uitmesten, de negen paarden zelf twee maal per week roskammen, de met gele IJsselklinkers belegde vloer van de wagenschuur ook smetteloos houden en de voorraad voer voor de paarden bijhouden en in een speciaal daarvoor bestemd boekje schrijven. Want de oude paardenknecht Mans Boelens was de kunst van het lezen en schrijven niet machtig. Kortom, naast het tweemaal per dag helpen met melken en voeren had Geert hier een hele dagtaak aan. Hij sliep in een klein houten hok boven de wagenschuur. Dit vertrekje werd eens per week door een meid schoongemaakt. Dan kreeg Geert ook een nieuwe kaars in de snuiter naast zijn bed en schone lakens, die roken naar het bleekveld. En eens in de zes weken werd ook het stro in zijn matras ververst.

Het ontbijt bestond uit pap van in volle melk gekookte rogge, met stroop of basterdsuiker. Wie dan nog honger had kon zich te goed doen aan roggebrood met roomboter. En natuurlijk was er roetzwarte sterke koffie. Het middageten bestond uit spekpannenkoeken met bonensoep op de ene dag, snert op de andere dag, met op woensdagen en zaterdagen gekookte aardappelen met gesmolten varkensreuzel. Voor de dorst was er dan verse melk of karnemelk. Het avondeten was volkorenbrood uit eigen oven met ham of kaas. Daarna was er opnieuw koffie en bleef men nog een paar uurtjes praten, totdat boerin Klaasje om acht uur de gewichten van de klok ophaalde en boer Jan de haardplaat keerde. Dat was voor iedereen het sein om het bed op te zoeken, want morgen zou het weer vroeg dag zijn.

De tweede knecht, Harm Mussche uit Rouveen, had verkering en hij vroeg zijn baas op een van die avonden of hij diens fiets mocht lenen. ”Waarom dan?”, antwoordde boer Jan. ”Nou kijk Dunnink, jouw fiets heeft een carbidlantaarn en die van mij een dynamo. En ik wil vrijen met licht erbij.”  ”Vrijen doe je toch in het donker?”, zei Dunnink glimlachend. ”Ja, maar ik wil `t wicht goed bekijken.” ”Wat een onzin. Dat heb ik vroeger ook nooit gedaan.” ”Ja”, zo schopte Harm deze door de boer neergelegde bal in het open doel, ”Dat kun je wel zien ook. En daarom wil ik d’r licht bij.” Waarop het hele gezelschap, boer Dunnink incluis, in schaterlachen uitbarstte. Zulke dingen waren tekenend voor de goede onderlinge sfeer op dit grote en ouderwetse boerenbedrijf.

Geert groeide binnen een paar jaar uit tot een grote en sterke jongen, die toen ook zwaarder werk aankon. Hij was erg vertrouwd geraakt in de omgang met paarden en kende elke hebbelijkheid van de negen beesten die gaandeweg steeds meer aan zijn zorg werden toevertrouwd. Toen Geert zestien was, ging de oude Mans met pensioen en was hij een volslagen paardenknecht die het zonder hulp afkon.

Jan Dunnink had geen elektriciteit op zijn hoeve en las geen kranten. Maar er gingen wel geruchten rond van een nieuwe kanselier in Duitsland, die Hitler heette. Het scheen dat vooral de Joden erg onder deze man te lijden hadden. Altijd wat aparts met die rare Pruisen en er kwam zelden of nooit iets goeds van. Misschien zou er wel weer oorlog van komen. Want in Italië, het land van de Roomsen waar de paus woonde, was er ook al zo’n rare kerel aan de macht, die Musselinie of zo heette en die het land van de zwarte Abbessijnen in Afrika had veroverd. Wanneer Geert eens in de drie weken op zijn vrije zaterdag naar huis fietste zong hij ook wel eens van; ”Musselienieh, Musselienieh maakt gehakt van Abbessinieh.” Maar voor de rest ging het wereldgebeuren bijna volledig langs hem heen.

Totdat hij in 1938 in dienst moest en onder de wapenen werd geroepen. Geert kreeg twee uniformen waarvan de broeken hem te wijd om het middel en de tunieken hem te smal om de schouders waren. Hij moest zijn kuiten boven zijn zwarte kistjes strak met rollen grijze stof omwikkelen. Dat deed hem aan renpaarden denken, maar gaf hem ook een prettig en stevig gevoel in zijn onderbenen en enkels. Hij leerde marcheren, salueren en exerceren met een lomp en lang Hembruggeweer, dat hij van haver tot gort moest leren kennen en brandschoon houden. Het eten was heel wat minder dan hij bij Dunnink gewend was, hij vond de kazerne een stinkende smeerboel en de onderofficieren goddeloos vloekende zuiplappen. De meeste van zijn maten kon hij amper verstaan en toen een Hagenees leuk meende te moeten doen op zijn kosten kreeg deze van Geert een ram dat hij de halve slaapzaal door vloog en met een gebroken kaak buiten westen op de vloer lag. Dat kwam hem op acht dagen in de petoet te staan, maar wekte ook de aandacht van de kapitein. Die ontdekte dat deze boerenjongen niet alleen sterk was, maar ook over een helder verstand beschikte. Na zijn opleiding werd Geert bij de artillerie ingedeeld, waar hij voor de paarden, die de stukken hadden te trekken, moest zorgen. Door de nauwgezetheid en gewetensvolheid waarmee hij zich aan deze taak kweet, en door het feit dat hij wist wat hij deed en veel verstand van paarden had, werd hij al snel tot korporaal benoemd.

Intussen was er algehele mobilisatie afgekondigd en was het een drukte van belang in het leger. Men werkte de eerste maanden op een wanhopig makende en chaotische manier langs elkaar heen, waarbij de orders en de tegenorders heen en weer vlogen en niemand wist waar hij aan toe was. Uiteindelijk werd Geert met zijn eenheid ingedeeld in het Brabantse veldleger bij de Peelraamstelling. De strenge en lange winter van 1939-1940 viel in. De loods van de turfstrooiselfabriek in het Brabantse veendorp waar zij waren ondergebracht, was al na een paar weken vergeven van de vlooien en de luizen. De inderhaast uitgegraven en opgerichte stellingen stoven vol met jachtsneeuw en op de vaarten en kanalen lag het ijs balken dik. Toen het voorjaar kwam en de dooi inviel, regende het weken achter elkaar. De loopgraven stonden in een mum van tijd vol met water en de stellingen stortten in. Het was bijna onbegonnen werk om deze droog en gereed te houden. Omdat de meeste landwegen in onbegaanbare modderpoelen veranderden stokte de bevoorrading en werd het eten nog slechter en eentoniger. De ziekenboeg lag vol met gevallen van bronchitis en longontsteking. Half april werd het weer pas beter en kwam de logistiek opnieuw op gang. Er werden toen ook hoognodige extra machinegeweren, munitie en prikkeldraad aangeleverd en de stellingen konden eindelijk weer op orde worden gebracht. Maar alle verloven werden toen eveneens ingetrokken.

Na Geert´s 20e verjaardag, de zesde mei, werd het prachtig weer. Het leek wel hoogzomer. De loods werd met DDT en lysol onder handen genomen en de mannen konden al hun kleding laten wassen en ontsmetten bij een mobiele wasserij, zodat men eindelijk van het ongedierte was verlost. Toch was de stemming bedrukt en gespannen. Geert had een ernstig gesprek tussen hoge officieren afgeluisterd waar deze heren onder elkaar somberden dat men, in geval van een Duitse aanval, hier geen schijn van kans had en men de vijand hoogstens een etmaal zouden kunnen tegenhouden. Hun enige hoop was assistentie uit België van Franse en Britse troepen en de tachtig kilometer naar het noordwesten liggende Grebbeberglinie. Dat die Duitse aanval zou komen, wist iedereen wel zeker; de vraag was alleen wanneer.

Toen deze dan, op de vroege ochtend van de tiende mei, uiteindelijk kwam, hield de Peelraamstelling het nog geen twee uur uit. De vier stukken van de paarden die Geert onder zijn hoede had, konden precies acht schoten op de vijand lossen, voordat de paarden voor de kanonnen en de affuiten werden gespannen om een haastige terugtocht in te zetten. In de buurt van Den Bosch werd de colonne onder vuur genomen door overvliegende jachtbommenwerpers. Geert dook weg achter een slootwal. Een munitiewagen vloog met een daverende klap in de lucht. De man die naast Geert in dekking lag, kreeg een essenhouten spaander van een wielspaak dwars door zijn bovenarm heen en hoog in een iep bungelde het gemangelde overblijfsel van een trekpaard. Er waren vier doden en acht gewonden te betreuren. De mars werd voortgezet in noordwestelijke richting. Welke orders er waren, wisten de officieren ook niet, maar het leek hen raadzaam om over de grote rivieren en achter de Waterlinie te komen. Op 14 mei waren zij, met stukgelopen voeten en doodvermoeide paarden, gevorderd tot aan Dordrecht. Daar konden zij eindelijk rusten. Het oorlogsnieuws was gemengd negatief en positief. De Grebbeberglinie was, na hevige gevechten, weliswaar gevallen, maar de Duitse parachutisten, die achter de linies waren gedropt, waren of ingesloten of in de pan gehakt. En de Waterlinie zou de vijandelijke tanks en grondtroepen verder wel tegenhouden. Dan konden er vanuit Rotterdam Britse hulptroepen worden aangevoerd en zou de strijd voor de Moffen lang en hard worden. Iedereen verwachtte een stellingoorlog, net zoals tijdens 1914-1918. ”Wij zullen die klootzakken laten stikken in hun eigen bloed!”, schreeuwde hun commandant, majoor Van Tuyll, verbeten. De mannen vatten moed; Nederland was nog lang niet verslagen. Integendeel, het ergste voor de vijand moest nu nog komen!

Maar op de middag van diezelfde dag zagen zij in het Westen een enorme rookkolom opstijgen, die later op de dag zelfs de zon nog gedeeltelijk verduisterde. Rotterdam was plat gebombardeerd en de legerleiding had gecapituleerd. De oorlog was afgelopen en na drie weken kwam Geert weer thuis. Reinder was net te jong om soldaat te zijn geweest en was de dans dus ontsprongen. Hun jeugdvriend en neef Hendrik Koekoek, die ook uit hun dorp kwam, had bij de Grebbeberg gevochten. Daar had hij, samen met een maat uit Zeeuws-Vlaanderen, de vijand vanuit een loopgraaf onder vuur genomen, totdat de mitrailleur roodgloeiend was, er nog maar een halve band munitie was overgebleven en het ding vastliep. Daarna kwamen er vijandelijke vliegtuigen, gecombineerd met een zwaar artilleriebombardement, waarbij honderden mannen sneuvelden en de stellingen werden vernietigd. ”Ik had de broek vol met stront, joh. Dat mag je best wel weten.”, zo zei hij tegen de broers. ”Mijn kameraad Rinus bibberde als een rietje en heeft daarna nog weken achter elkaar lopen te stotteren. Blij het te hebben overleefd. Dat kunnen een boel andere jongens niet zeggen.”

Wie het onder andere niet kon na vertellen was Roelof Dunnink, de zoon van Geert´s baas, die al op de eerste dag bij vliegveld Valkenburg was gesneuveld. Hij was de enige zoon en opvolger. Er waren nog twee oudere zusters en een jongere broer. Maar de ene zuster werkte als hoofdverpleegster in het ziekenhuis in Zwolle en de andere was achterlijk en zat in een tehuis in Assen. De jongere broer had het ouderlijk huis al in 1929 na een ruzie voorgoed verlaten en zat onbereikbaar in Oost-Indië. Hij had al jaren niets van zich laten horen en waar hij precies verbleef, wist niemand. Jan en Klaasje Dunnink waren gebroken. De grote hoeve met haar landerijen werd verkocht en over de boeren van het dorp heen opgedeeld. Geert was zijn betrekking kwijt. Hij kon aan de slag bij een transportfirma annex stalhouderij in De Krim. Maar ook dat duurde maar een paar jaar, want de baas van dit bedrijfje was Joods. Tenslotte ging hij zijn ouders thuis en zijn zuster Jaantien maar helpen. Ondanks de oorlog boerden vader Hannes en moeder Zwaantje eigenlijk wel goed, want er werd flink verdiend met de illegale slacht.

Op een nacht werd er hard op de voordeur gebonsd; onbekend volk, want bekenden namen de zijdeur in de baander. ”Wat zult we dan nou hebben?”, mopperde Hannes. ”Ja, ja, ik kom al.” In het licht van een door Hannes in zijn nachthemd opgehouden olielantaarn stonden twee bijzonder angstige en opgejaagde jongemannen op de stoep. Een van hen was gewond en leunde zwaar op zijn kameraad, zij droegen vreemde uniformen, bruingroene gevoerde overalls met jute kruisriemen en met bont gevoerde laarzen. ”Kan u mij virsta, meneer?”, vroeg de niet gewonde jongen hijgend. ”Ja, dat kan ik.”, antwoordde Hannes kort. ”Maar komt eerst maar rap binnen.” ”It’s allright Tim.”, zo stelde de jongen, die een vreemd soort Nederlands sprak, zijn kreunende gewonde maat in het Engels gerust. ”These are good people. Come on, just a few yards. That’s it.” Hannes gooide snel de voordeur dicht. ”Zwaone, Jaantien, Geert; wakker worden!”, brulde hij. ”Ach heremijntied, wat is dat nou?”, zei Zwaantje verbluft toen zij het ontredderde tweetal zag. ”Ek moe my by u virontskuldeg, mevrouw.”, zei de jongen bedeesd. ”My naam is Uys van Zyl en ek is vlieger by die R.A.F.. Hierdie my boetie is Timothy Grant. Hom is in sy bors geraak met `n flakgranaat scherw. Ons vliegmasien is neer gekoom vier myl van hier en ons he die baaie nag geloop, maar Tim is an die eind van sy kragte. As u ons aan die Nazi’s wil oorleer he u die volste reg daartoe. Maar ek kan u amper net in `s Heeren Naam smeek om dit nie met ons te maak nie.” Deze laatste zin werd smekend, bijna huilend, uitgesproken. Hannes zweeg een paar tellen en zijn ogen kregen een harde uitdrukking. ”Ben jij nou helemaal bedonderd? Denkie nou waarachtig dat ik jullie aan dat vee van de Laban ga uitleveren? Nooit!”, zo bulderde Hannes ”de Slachter” verontwaardigd en ruig. ”Leg oen kameraad maar in die bedstee daar. Jaantien, haalt rap de dokter. Maar neemt oe in acht deerne, `t is spertijd.” Tim werd in de bedstee gelegd. ”Gaat toch zitten, mien jong.” zei Zwaantje moederlijk tegen Uys. ”Dan zal ik wat thee zetten. Koffie is d’r jammer genog niet meer.” ”Eina, baaie dankie mevrouw.”, antwoordde Uys opgelucht en dankbaar.

Hannes had een jaar of veertig geleden, als tiener, fel met de Boerenoorlog meegeleefd en later bijna alle boeken daarover gelezen. Hij wist wat voor vlees hij hier in de kuip had. ”Zuid-Afrikaan?”, vroeg hij. ”Ja.”, antwoordde Uys. ”En piloot bij de Engelse vliegeniers?” ”U is reg, meneer. Maar eigelik navigator. Tim daai is tweede piloot.” ”Ie hebt ons wat moois geleverd, za’k oe vertellen. Wat moeten wij nou met jullie aan?” De baanderdeur ging open en Jaantien en dokter Mol traden even later de woonkamer binnen. Dokter Mol keek ernstig, maar zei niets. Hij liep recht naar de bedstee waar de gewonde luitenant vlieger Grant lag en onderzocht deze kort. ”Nu mensen, ik kan jullie wel vertellen, die jongen is er heel slecht aan toe. Verbrijzelde rib en een kapotte long en bovendien bijna dood gebloed. Hier kan ik niks mee beginnen. Zijn enige kans op overleven is hem aan de Duitsers over te geven. Hoe erg dat ook is, maar misschien kunnen die hem nog redden.” Uys vertaalde voor Tim wat de dokter had gezegd. En Tim gaf moeizaam te kennen dat de dokter hem dan maar een injectie met morfine moest geven, zodat hij pijnloos en rustig kon sterven en niet iedereen in gevaar zou brengen. Uys brak in snikken uit en omklemde Tims hand; ”Brave man. Bloody good man. Allways have been. Farewell my friend. May God be with you.” De dokter kende Engels en had de beide jongemannen verstaan. ”I can do that.”, zei hij ernstig. Zo stierf Timothy Grant, een boerenzoon uit Devonshire, in een Drentse bedstee, terwijl de dag aanbrak en de vogels begonnen te zingen.

Zijn lichaam werd door Geert en Hannes onder het stro in het achterhuis verborgen en Zwaantje haalde zwijgend het bebloede beddengoed af. Zij huiverde. Zo had Geert drie jaar geleden ook kunnen eindigen. In de kleine boomgaard en achter de mesthoop groef Geert een diep gat en na het vallen van de avond werd Tim daar snel begraven; hopelijk tijdelijk. Maar wat moesten zij met Uys beginnen? Hij kreeg eerst andere kleren aan en zijn uniform werd, samen met dat van Tim, door Jaantien in het fornuis verbrand. Het pistool dat Uys bij zich droeg moest hij aan Hannes geven. Het wapen werd door hem in een lade van het kabinet achter slot en grendel opgeborgen. Uys moest ook zijn snor afscheren, want niemand in de wijde omgeving droeg zo’n ding. Voorlopig moest hij maar voor een oude legermaat van Geert uit het westen doorgaan, wiens huis zogenaamd was gebombardeerd. Maar hij kon maar beter helemaal zijn mond houden en zich zo weinig mogelijk buitenshuis laten zien. Contacten met de ondergrondse had het gezin niet en zij wisten dus ook niet wie zij over deze kwestie in vertrouwen moesten nemen.

Na verloop van tijd kwam dit de onvermijdelijke dorpstamtam ter ore. Bij Lusseveld thuis hebben ze een vreemde logé die nauwelijks zijn smoel laat zien en heel schichtig is. Zal wel een onderduiker wezen. Ook rijksveldwachter Van Lingen, de opvolger van Botter, hoorde hier ten slotte over. Voor de oorlog was hij ontslagen bij de Rijkspolitie, omdat hij zijn lidmaatschap van de N.S.B. niet had willen opgeven, maar nadat de Duitsers het land hadden bezet kon hij weer in dienst treden. Hij was allerminst geliefd in het dorp en werd smalend ”Rooie Eppe” genoemd vanwege de kleur van zijn haar.

Egbert van Lingen was fel pro-Duits en maakte daar geen geheim van. Maar dom was hij allerminst. Hij telde een paar zaken bij elkaar op. Drie weken terug was er bij Slagharen een Britse bommenwerper neergestort. Drie bemanningsleden had men tussen Zuidwolde en Hoogeveen gevangen kunnen nemen, maar twee werden nog vermist. Er waren geen stoffelijke resten in het wrak aangetroffen, maar er waren wel vijf parachutes gevonden. Dus moesten die twee zich ergens in de regio verborgen houden. En die Hannes Lusseveld was om te beginnen al een rebels en tegendraads sujet; zo’n typische Velddrenth, die zich niks van het wettelijke gezag aantrekt. Menigmaal had Hannes hem bij het illegale slachten een loer gedraaid en was hij de veldwachter te vlug af geweest. Egbert wist heel goed wat Hannes deed, maar hij kon niks bewijzen. En dat maakte hem extra wraakzuchtig. Dat wijf van hem deugde al evenmin en die zoon had nog in het Nederlandse leger tegen de troepen van de door Egbert aanbeden Führer gevochten. Waarom werkte die Geert trouwens niet gewoon in Duitsland? Dat volk van Lusseveld deugt echt van geen kant. Dat hebben ze nog nooit gedaan en dat doen ze nu nog steeds niet. En dat hele rotgat hier is zo anti-nationaalsocialistisch als wat. Stomme, achterlijke gereformeerde strontboeren! Helemaal verjoodst door dat idiote geloof van hen. En ze spelen hier bijna allemaal met elkaar onder een hoedje tegen het wettelijke gezag en tegen de nieuwe orde. Die van Lusseveld is een van de ergsten wat dat betreft. En die vent die daar zit, is vast en zeker geen gewone onderduiker. Dat kan best nog wel eens een van die geallieerde luchtpiraten zijn, met hun terreurbombardementen op het Rijk. Van Lingen besloot om maar eens een telefoontje plegen naar de S.D.

Over wat er zich toen voltrok kan men kort zijn, zoals men over veel van deze zaken die zich tijdens de Duitse bezetting door verraad afspeelden, kort kan zijn. Een deur die in het holst van de nacht wordt ingetrapt. Geblaf van honden, geflits van zaklantaarns in kleine woonvertrekken, snauwende Duitse stemmen, gestommel in het donker, waarbij stoelen vallen, glas rinkelt, en een tafel over de planken vloer schuift. Een jongeman die bruut wordt meegesleurd en in een overvalwagen geschopt. Een oudere grote en forse man, wiens gezicht met geweerkolven wordt bewerkt en die daarna met een bloedende mond en neus tegen de lage zijmuur van zijn eigen huisje wordt gezet. Met naast hem een jongen van 21 op verlof van de Arbeitseinsatz; Reinder, doodsbleek en bevend van angst om zijn moeder roepend. Een afgebeten en bijna laconiek commando uit de mond van iemand die er, ondanks zijn officiersuniform, eerder uitziet als een kantoorklerk dan als een militair. Gevolgd door een korte en doffe roffel uit een pistoolmitrailleur, waarna de man langzaam met zijn rug tegen de muur onderuit zakt; een bloedspoor op het metselwerk achterlatend. En zijn zoon naast hem met een verbrijzelde schedel stil voorover valt. Als een lappenpop. Terwijl twee vrachtwagens zich kort daarop met jankende motoren in de nacht verwijderen, werpt een jammerende vrouw zich op de lichamen van haar man en haar jongste zoon; erbarmelijk luidop huilend, huilend. Uren achter elkaar. Voor de rest van haar lange leven zou zij nergens anders meer tranen voor over hebben en was haar voordien knappe gezicht hard en nors geworden.

Door:
“Taljaard”
(voor www.ejbron.wordpress.com)

Over E.J. Bron

www.ejbron.wordpress.com
Dit bericht werd geplaatst in Historie. Bookmark de permalink .

19 reacties op LONGREAD: Het verraad van “Rooie Eppe”

  1. hendrikush zegt:

    Indrukwekkend en voor mij goed herkenbaar. Dank!

    Like

  2. Driek zegt:

    “Voor de rest van haar lange leven zou zij nergens anders meer tranen voor over hebben en was haar voordien knappe gezicht hard en nors geworden”.

    Wat een prachtig verhaal, beste Taljaard. Mooi geschreven.

    Like

  3. paulzwueste zegt:

    Heel boeiend om te lezen.
    Vooral voor diegenen die de oorlog in al zijn verschrikking hebben meegemaakt.

    Like

  4. Gera zegt:

    Sjonge Taljaard, blijf schrijven en ik ga al je boeken lezen!

    Like

  5. Jade zegt:

    Mooi verhaal, hoe verging het Geert???

    Like

    • Taljaard zegt:

      @Jade
      Geert heette natuurlijk in werkelijkheid anders.
      Na de oorlog in Indonesie gevochten als onderofficier en toen bij het Wapen der Marechaussee.waar hij tenslotte opklom tot de rang van kapitein.
      Heeft jarenlang op prinsjesdag op een paard voor de gouden koets gereden.
      Het ”schrikzeker” maken van de paarden, door ze te laten wennen aan vuurwerk en rookbommen is zijn uitvinding, want hij was en bleef een echte paardenman.
      Bevriend met Daan Modderman.
      Samen met mijn tante in de late jaren ’70 (wanneer weet ik niet meer precies) omgekomen bij een stom auto-ongeluk.

      .
      .

      Like

  6. Wachteres zegt:

    Je hebt talent, @Taljaard. Maar dat wist ik al. De laatste regel doet me denken aan iets wat Henk me heeft verteld:

    Als tiener werkte hij in de vakantie bij een boer – om geld te verdienen, natuurlijk. Daar werkte ook een knecht met spierwit haar. Volgens zeggen was dat in één nacht wit geworden. Zijn beide zoons zaten in de oorlog in het verzet en ze werden door verraad ’s nachts weggehaald en hij en zijn vrouw hebben nooit meer iets van hen gehoord.

    Heel mooi geschreven.

    Like

    • Taljaard heeft zeker talent! Dit verhaal doet me min of meer denken aan A.M. de Jong, al speelde alles, wat hij schreef, in West-Brabant en dus onder de “Roomsen.” Zelf zou ik zo’n -overigens waarheidsgetrouw- verhaal uiteindelijk niet kunnen schrijven, uitopstandigheid over wat vroeger als normaal beschouwd werd, vooral met betrekking tot kinderen. Ik kan daar niet in berusten en dan krijg ik het niet uit mijn pen/toetsenbord. Dat zo’n Moeder Zwaantje bijvoorbeeld voor haar zoons opkwam tegenover die lafaard van een onderwijzer is prachtig, maar het was niet de juiste weg: Ze hadden die vent natuurlijk moeten aanklagen bij de onderwijs-inspectie, die hem uit het ambt had moeten zetten: Dat kón,want wat waarschijnlijk niet veel mensen weten: Het slaan van kinderen door een ander dan de ouders was in de 19de eeuw officieel al verboden. Alleen kwamen té weinigen op het idee, aangifte te doen: De mensen waren zich onvoldoende bewust van hun rechten en de mogelijkheid om naar de instanties te gaan en lieten nog véle decennialang passeren, dat hun kinderen werden gemolesteerd door onderwijzers, veldwachters, broeders en nonnen. En als ze wèl ingrepen, was het dus op een niet-adequate manier. Want wat moesten de andere kinderen in de klas van zo’n rótvent, die níet zulke assertieve ouders hadden? Werden die nu dubbel het mikpunt als compensatie voor die twee broers, die hij niet meer durfde aan te raken? Zie je, dat zijn toestanden, waarover ikzelf niet al te lang kan nadenken. Daarom zou ik daar geen verhaal over kunnen schrijven.
      De positie van vrouwen en kinderen tot ver na de oorlog……..Eén van de hoofdzaken, waarom ik blijf zeggen: Mijn portie aan Fikkie met die “Goeie Ouwe Tijd.”
      http://depatriotten.weebly.com/

      Like

  7. dutchess43 zegt:

    Er zijn nog steeds mensen onder ons die precies zo zijn als Rooie Eppe.
    Overleveren aan de vijand gebeurt nog dagelijks….

    Like

    • Willie zegt:

      @dutchess43 : Ik zou die rosse smeerlap gewoon omgelegd hebben met dat pistool van de Britse piloot dat die boer goed opgeborgen had: de echtgenote wist wss wel waar t lag , niet ? En dat zou nog teveel eer geweest zijn voor die rotzak;,verdiende eerder een paar rieken door zn kloten gestoken tot m dood was

      Like

  8. alidas1 zegt:

    Mooi geschreven Taljaard
    Maar wat is er met die verrader gebeurd na de oorlog.
    En hoe is het met Geert afgelopen ?
    Ik heb ook de oorlog nog meegemaakt
    Er is zo veel te herkennen.

    Like

  9. Ron zegt:

    Erg mooi opgeschreven verhaal.

    Een belangrijk leerpunt: hoe is de verrader erachter gekomen dat er een onderduiker zat in die boerderij?

    Door de Dorpstamtam.

    Het roddelen en doorvertellen van deze gevoelige informatie heeft geresulteerd in dat het de verkeerde ter oren kwam, dit nu met meerdere doden tot gevolg.
    Alle personen die aan de dorpstamtam hebben meegedaan hebben in hun onnozelheid een bijdrage geleverd aan de dood van 2 personen.
    Een waarschuwing in dat soort omstandigheden die misschien terugkomen: wees terughoudend en bedachtzaam in wat je over wie doorvertelt (op wat voor manier dan ook) aan anderen. Het kan zomaar eens bij de verkeerde aankomen.

    Like

  10. jantjeuitnl zegt:

    Indrukwekkend verhaal. Gaan we weer die kant uit?

    Like

  11. Philippine zegt:

    Bedankt Taljaard.

    Like

  12. Pingback: LONGREAD: De kleine wereld | E.J. Bron

  13. Pingback: LONGREAD: Wrijvingen | E.J. Bron

  14. Henk Evenhuis zegt:

    Henk E uit Assen
    Goed verhaal. Ik ben 88 jaar. Heb 2e wereld oorlog meegemaakt. Ik schrijf veel. Ben nu bezig met met mijn verhaal over tijdvak “1940-1945.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s