LONGREAD: Hij die terugkwam

Screenshot_66

(Door: “Taljaard”)

Mijn vader was een jaar ouder dan mijn oom Geert. Zijn moeder Albertje was het achtste kind uit een gezin van veertien, waarvan er tien de volwassen leeftijd bereikten. Haar vader Rieks was in zijn jonge jaren een rauwe vent, die bij kroeggevechten menigmaal een tegenstander met ”Freek Herder”, een knipmes van de firma Fr. Herder uit Solingen, een blijvend litteken op diens gezicht bezorgde en er zelf ook een aantal had. Hij had dus zogezegd ”het Ruiner wapen op de bek staan.” En hij kwam ook uit Ruinen. Bij een zo’n gevecht kostte het de zoon van een rijke boer een oog. Rieks werd opgepakt en door de rechter voor de keus gesteld; of hij moest twee jaar brommen in het tuchthuis, of hij tekende om als soldaat voor zes jaar naar ”de Oost” te gaan. Hij koos voor het laatste. Tijdens zijn diensttijd in het toenmalige Nederlands-Indië kwam hij tot inkeer en werd een vroom christen.

Na zijn terugkeer kon hij gemeenteveldwachter in het naburige Zuidwolde worden. Hij kocht een stukje grond met een oude schaapskooi in het Nolderveld en binnen een periode van vier jaar bouwde hij daar in zijn vrije tijd eigenhandig een stenen huisje. In het voorjaar van 1890 trouwde hij met Lammechien Steenbergen. Lammechien had al een kind, want zij was als werkmeid door haar baas, een boer, bezwangerd en daarna ontslagen. Zij woonde met haar kindje in het diaconiehuis en scharrelde in werkhuizen de kost bij elkaar.

Een van die werkhuizen was dat van veldwachter Rieks Holtvoort. Zij vatten genegenheid voor elkaar op en trouwden. Haar zoontje werd door Rieks geadopteerd. Het ene kind volgde op het andere en het echtpaar begon het krap te krijgen, want gemeenteveldwachter was weliswaar een vaste betrekking, maar ook vaste armoede. In 1895 richtten de veeboeren uit de omgeving een coöperatieve zuivelfabriek op. Van een lening bij de Boerenleenbank kocht Rieks toen een paard en wagen en in plaats van gemeenteveldwachter werd hij melkrijder. Dat betaalde een stuk beter. Zeven dagen per week en twee maal per dag, zomer en winter, verwisselde hij tweemaal daags op zijn route over Linde en Drogteropslagen de lege melkbussen voor volle; tientallen jaren achtereen.

In de loop der jaren vlogen de kinderen van dit grote gezin uit. De voorlaatste die het huis uitging was Albertje. Zij trouwde met een jonge sluiswachter uit Nieuwleusen. Een jaar later, in december 1919, werd hun eerste kind geboren; een jongetje dat zij Remmelt noemden. Maar toen de kleine Remmelt twee maanden oud was, verongelukte zijn vader. Sluiswachter Roelof Dekker gleed met zijn klompen uit op een door vorst berijpte loopplank en belandde in het ijskoude water van de Dedemsvaart. Hij werd daar waarschijnlijk door de koude bevangen en verdronk. Albertje moest met haar kindje de sluiswachterswoning verlaten en kwam weer bij haar ouders terecht. In overleg met hen stond zij haar kindje af om als dienstmeisje in Den Haag te gaan werken. Zij verdween daarna vrijwel geheel uit het leven van haar zoon en haar ouders. Remmelt kreeg de achternaam van zijn grootouders en werd liefdevol door hen opgevoed.

Toen hij van school afkwam, moest hij zijn grootvader helpen, want het zware werk begon Rieks, die toen al een eind in de zestig was, teveel te worden. Gaandeweg nam hij meer en meer taken van hem over, totdat de oude Rieks in 1935, na veertig jaar melkrijder te zijn geweest, het werk overdeed aan zijn inwonende kleinzoon. De oude man was krom gewerkt en kon zich op zijn zeventigste nog slechts moeizaam met een stok voort bewegen. Ondanks het tegensputteren van echtgenote Lammechien werd er op zijn initiatief, en met de steun van Remmelt en de nog inwonende laatste dochter Stiene, elektriciteit in het huisje aangelegd. Nu kon Rieks naar de radio luisteren en dat deed hij veel en graag.

Eens hoorde hij op een Duitse zender een redevoering van een man met een snauwend, raspend en hard stemgeluid. Rieks verstond genoeg Duits om te weten waar die man, die fanatiek door zijn gehoor werd toegejuicht, het over had. En hij werd er tot in het diepst van zijn wezen door geschokt. Deze man was een belialszoon, een bezetene van de satan, die de kinderen van Abraham, Gods uitverkoren volk van het Oude Verbond wilde belagen, zoals eens de Farao in Egypte dat had gedaan. Hier kon niets goeds van komen! Vanaf dat ogenblik af aan was de oude Rieks een overtuigd anti-nazi. Gods wraak zou Duitsland treffen wanneer zij hier mee door zouden gaan. Hun legerscharen zouden ten onder gaan, zoals eens het leger van Farao in de Rode Zee, en het land zou verwoest worden, zoals ook Amalek eens was verwoest. Daar was Rieks zeker van en hij vertelde dit aan iedereen die het maar horen wilde. Lammechien vond het allemaal maar niks.

Dat krijg je van die rare moderne fratsen; haar kerel had zich de kop gek laten maken door die radio. Wanneer die Pruisen dan zo graag weer oorlog willen maken, moesten ze dat maar doen. Dat zit ze klaarblijkelijk in het bloed en het zou de derde keer wezen dat zij dat in haar leven meemaakte. Nederland is toch neutraal en, net als de vorige keer, is zo’n oorlog heel goed voor de prijzen van melk, vlees en graan. Daar kunnen zij hier dus alleen maar beter van worden. En die Joden redden zich wel. Dat hebben ze altijd al gedaan, want het is inderdaad niet voor niets Gods uitverkoren volk, zo redeneerde Lammechien.

Stiene had intussen zowaar verkering gekregen. Haar vent was schele Mans Dogge. Net als zij was ook hij al in de dertig. Mans had een scheel groen oog en een scheel grijs oog en een paar ijselijke flaporen. Maar hij was ook machinist op de locomobielen, de stoomtractoren van de Heidemaatschappij. Hij had schouders als een melkjuk en eeltige kolenschoppen van handen. En met die handen kon hij een hoefijzer ombuigen. Knap kon je Mans bepaald niet noemen. Maar dat was Stiene ook niet met haar dikke brede neus en haar piekhaar. Zij schreef haar Adonis, wanneer deze over ver moest werken, aandoenlijke liefdesbrieven op kladpapier en met een blauw potlood waaraan dikwijls werd gelikt. Mans kwam geregeld over de vloer. En hij was het helemaal met Rieks eens waar het Hitler en Mussert betrof.

Zij konden een huisje huren in het Westhuizingerveld, waar een optie van koop op zat. Zowel Mans als Stiene hadden beiden lang op een huwelijk moeten wachten en dus genoeg geld kunnen sparen. Er moest elektriciteit en aansluiting op de waterleiding in het huisje komen. Stiene was binnenshuis weken achtereen bezig met schoonmaken, verven, witkalken en behangen, terwijl Mans alle grond die bij het huis hoorde omspitte en bemestte. Daarna groef hij de zwarte grond vanaf de achterzijde van het huis op een halve meter diepte en op twee meter lengte uit en deed hetzelfde vanaf de oostzijde van het huis tot aan de weg waar het huis aan stond. Met dit zwarte zand hoogde hij de voortuin op, waarna hij het uitgegraven gedeelte weer vol spitte met geel zand, wat hij vervolgens egaliseerde en met dubbel gebakken klinkers bestraatte. Nog was Mans toen niet klaar, want hij legde de stenen fundamenten en een betonnen vloer voor een flinke houten schuur, die hij zelf timmerde en daarna tweemaal grondig met groene carbolineum bestreek. Stiene en hij togen naar een meubelzaak om hun huisje nieuw in te richten, compleet met antraciet-kachel, koelkast en butagas-fornuis. De zaterdag daarop werd het huwelijk eerst in het gemeentehuis en daarna in de kerk gesloten, waarna er een groot bruiloftsfeest werd gevierd in het hotel. Het hoogtepunt van dat feest was vader Rieks, die een heel bruiloftsgedicht van Jacob Cats had geleerd en dat uit zijn hoofd declameerde. Na afloop van het feest nam Mans buiten plaats achter het stuur van een Lanz diesel-tractor van zijn werk. Stiene zette haar omvangrijke achterste op het spatbord en zo reden zij samen weg; uitbundig na gezwaaid door de bruiloftsgasten.

Een jaar later ontkwam ook Remmelt er niet aan; hij moest in dienst. En vlak voordat hij zou afzwaaien, werd er algehele mobilisatie afgekondigd. Hij moest dus onder de wapenen blijven en baalde daar behoorlijk van. Remmelt kwam terecht in de buurt van Huizen bij de Waterlinie. Hij was daar ingekwartierd in een schuur van een oude scheepswerf voor visserbotters. Het bouwsel had een lek dak en tochtte aan alle kanten. Met behulp van geteerde jute zakken, balen stro en proppen krantenpapier trachtten de mannen het geheel nog een beetje bewoonbaar te maken. Toen de winter inviel, wisten zij de hand te leggen op een enorm roestig gietijzeren bakbeest van een fornuis voor de verwarming, dat door hen alras ”super-kolossale kolenvreter” werd gedoopt. Dit ding wist het vertrek wel te verwarmen, maar deed zijn naam eer aan, zodat men al heel snel door het hen toegewezen steenkoolrantsoen heen was. Er lag een oude botter op de helling en dit vaartuig werd in de loop van de winter tot aan de laatste spant opgestookt. Dat was wel nodig ook, want de winter was ijzig koud en een poolwind uit het noordoosten blies recht vanaf het bevroren IJsselmeer op hun onderkomen. Om de winterse feestvreugde nog te verhogen, had de staf het in zijn hoofd gehaald dat de Waterlinie met ijs zagen open moest worden gehouden. Dus stond men dagenlang te kleumen en te zwoegen, met pijnlijk koude handen en voeten, maar met het zweet op de rug. En wat zij de vorige dag met veel moeite hadden opengewerkt, bleek de ochtend daarop alweer zo dik te zijn toe gevroren dat men er zonder gevaar over kon lopen. Dat ging dagen lang achter elkaar door. En toen de temperaturen wat minder Siberisch werden, viel er zoveel sneeuw dat men eerst de wegen moest ruimen. Wie op dooi had gehoopt, kwam bedrogen uit, want de zelfde ijzige noordoosten wind kwam terug. Zij blies alle sneeuw die men geruimd had in hoge duinen over de wegen heen. Het ijs zagen werd gestaakt. In plaats daarvan gingen de manschappen met de andere jonge mensen uit het stadje schaatsen. Dat was een heel wat plezierigere bezigheid.

Remmelt kwam op het ijs een aardig meisje tegen, dat ook wel gecharmeerd van hem was. Trees was een mollige en goedlachse kruideniersdochter. Zij was maar wat ingenomen met haar stoere Drentse vent in zijn soldatenuniform. En wat kon die jongen goed schaatsen. Hij sleepte haar voor de wind uit aan een ijs-stok mee met een vaart van wel 30 kilometer. Toen Remmelt haar bij het invallen van de duisternis naar huis bracht, drukte zij zich bij het zoenen gretig tegen hem aan; echt een leuke en lieve meid. Trees maakte het verblijf hier voor hem heel wat dragelijker en aangenamer. De ouders van Trees verwelkomden hem eerst hartelijk. Hun houding verkoelde echter aanmerkelijk toen zij vernamen dat Remmelt geen boerenzoon was, maar slechts een melkrijder. Een arbeidersjong dus in plaats van middenstanders als zij. Daar hadden zij hun dochter niet voor over en Trees werd de omgang met Remmelt verboden. De ”jongeheer R. Holtvoort, alhier” kreeg een afgemeten briefje van vader Thijssen waarin hem te kennen werd gegeven dat ”er geen prijs wordt gesteld op Uw omgang met onze dochter. Indien U zulks desondanks wenscht te persisteeren zullen wij ons gedwongen zien ons met den Politie in verbinding te stellen. Hoogachtend; J. Thijssen.” Het briefje werd door Remmelt met een gesmoorde verwensing verfrommeld en in de kolenvreter gegooid. Kleinburgerlijke krentenkakkers! Je zou om zulke lui bijna hopen dat het echt oorlog gaat worden. Dan komen ze bij jongens als ik bidden en smeken om bescherming. Arme Trees. Wat moet dat meisje zich rottig voelen.

Remmelt vroeg en kreeg een paar dagen verlof en ging naar huis. Hij ontving daar een lange brief van Trees. Zij noemde hem een lieve jongen en bedankte hem hartelijk voor de leuke tijd die hij haar had bezorgd. Maar er zat, tot haar grote verdriet, niets anders op dan afscheid van elkaar te moeten nemen. Remmelt schreef een brief terug in dezelfde strekking, waarin hij haar voor haar verdere leven veel geluk en voorspoed en Gods zegen wenste. De winter liep op zijn eind en ging over in een kil en kletsnat voorjaar. Mannen met snorren en sterren en balken op de kragen van hun uniformen reden, achter in bemodderde auto’s gezeten, af en aan om de linies en de stellingen te inspecteren. En zij blaften de meest tegenstrijdige richtlijnen en orders uit, zodat niemand op het laatst meer wist wat nu eigenlijk de bedoeling was. Er kwamen wel nieuwe Lewis machinegeweren en stukken geschut van Franse makelij. Dit deel van de Waterlinie was een van de best uitgeruste sectoren van het Nederlandse leger, want hier moest Amsterdam worden verdedigd wanneer het tot een Duitse aanval zou komen.

In de eerste week van mei werd het prachtig weer. Er trad een revuegezelschap op, met Lou Bandy en Fien de la Mar. Het hele hebben en houden van het leger werd op een hilarische manier op de hak genomen en iedereen genoot er met volle teugen van. Toen de lang verwachte Duitse aanval dan kwam, bleef het in deze sector juist onverwacht rustig. Het infanterieregiment waartoe Remmelt behoorde, hoefde gedurende de hele vijf dagen die de oorlog duurde geen schot te lossen. En op 15 mei konden zij niets anders doen dan hun wapens inleveren en zich aan de vijand overgeven. Een en ander ging gepaard met hevig mopperen, teleurstelling, tegenzin en ongeloof. Drie weken later was Remmelt weer thuis. Hij was als baardeloze jongen van 18 het leger in gegaan en kwam er als man van 21 weer uit. Er veranderde eigenlijk niet zoveel gedurende de eerste twee jaren van de bezetting. Remmelt en de andere melkrijders bleven hun werk doen en het leek alsof het normale leven gewoon verder ging. Toch was het anders dan voorheen en dat bleek ook steeds meer.

De alom gewaardeerde huisarts van het dorp mocht na verloop van tijd zijn beroep niet meer uitoefenen en moest het jaar daarop met zijn gezin verhuizen naar een zogenaamde ”Joodse wijk” in Amsterdam. Zij werden nooit meer terug gezien. De radio’s moesten worden ingeleverd en de meeste mensen voldeden aan dit bevel. Rieks verborg hem echter in de spindekast onder de bedstee, want hij wilde naar koningin Wilhelmina in Londen en naar Radio Oranje luisteren. Er werden twee van de drie paarden van Holtvoort gevorderd. Normaal gesproken zou dat een ramp zijn geweest, maar de Duitsers roofden ook zoveel vee bij de boeren weg dat Remmelt het wel met een paard afkon, totdat de zuivelfabriek haar poorten moest sluiten omdat er geen vervangende machineonderdelen meer te krijgen waren. Er werd beknibbeld op de elektriciteitsvoorziening; eerst maar acht uur per dag, toen vier uur per dag, met op zondag niets, en toen helemaal niets meer.

Remmelt kreeg een brief op grauw papier, waarin hem werd gesommeerd dat hij zich moest melden bij de Arbeidsdienst om in Duitsland te werk te worden gesteld. Omdat dit zijn grootouders een mond minder eten zou schelen, besloot hij hier maar aan te gehoorzamen. Hij kwam bij een ouder boerenechtpaar in het Westfaalse Waltrop, dat het ook niet konden helpen dat het ”schon wieder Krieg” was en waarvan de drie zonen in het leger zaten. Remmelt had het daar goed en werd door Claus en Anna Juncker meer als een zoon dan als een knecht behandeld. Zij kregen een brief met een ijzeren kruis eerste klas in de enveloppe. Daarin stond dat hun tweede zoon Walther bij Kursk was gesneuveld. Anna huilde en Claus zat verslagen en bleek naast haar bij de betegelde kachel. Er werd een ingelijste foto van Walther op het dressoir in de pronkkamer gezet, met zwart rouwlint op de bovenhoek en het ijzeren kruis ernaast gelegd. Kort daarop kwam er een brief van hun oudste zoon Helmut. Hij schreef daarin dat hij ernstig gewond was geraakt in Stalingrad. Maar dat hij daar geluk mee had gehad, omdat hij zo nog bijtijds per vliegtuig daaruit kon worden geëvacueerd voordat de stad twee maanden later was gevallen. Hij was nu weer in zoverre opgeknapt dat hij een paar weken op verlof bij zijn ouders kon doorbrengen. Moeder moest maar niet schrikken, want hij was zijn kin en zijn linkeroog kwijt geraakt. Maar hij leefde nog en was verder in orde.

Helmut Juncker was eerste luitenant bij de Wehrmacht en ridderkruisdrager. De dag nadat zijn ouders deze brief hadden ontvangen, werd hij in een auto op het erf van zijn ouderlijk huis afgezet. De oude hond stormde hem jankend en blaffend van vreugde tegemoet. En even later werd hij huilend door zijn moeder omarmd. ”Ach Helmut, mein Jungen, mein armer Jungen. Wie siehst du denn aus? Was hat man doch mit dir gemacht? Ach mein Gott, mein lieber Gott…” Vader Claus drukte zijn oudste zoon de hand en keek hem lang en ernstig aan, waarna hij hem ook omarmde. Hij had in de Eerste Wereldoorlog bij de Somme en in Verdun gevochten en wist wel zo ongeveer hoe Helmut zich moest voelen. ”En wie is dat?”, vroeg hij terwijl hij op Remmelt duidde. Zijn spraak was slissend, maar niettemin goed verstaanbaar. ”Dat is Remmelt; een Nederlander van de Arbeitseinsatz. Ein braver Kerl. Zonder hem hadden je moeder en ik het nooit gered. Hij is trouwens ook soldaat geweest.” ”Sieh mal einer an. Een van die grijze duivels, die zo verrekt goed kunnen schieten met die ouwe Mannlichers. Nog hard gevochten?” ”Nein, Herr Leutnant.”, antwoordde Remmelt eerlijk. ”Zeg maar gewoon Helmut, want ik ben jouw luitenant niet. Nogeen geluk ook, anders lag je nu als een stuk bevroren vlees tussen het puin van Stalingrad. Voor ome Adolf en SS Heini de heldendood gestorven. Da’s mooi hoor. Alleen je wordt er zo verdammt stijf van.” ”Helmut toch”, maande moeder Anna hem geschokt. ”So ist es doch? Verfluchter Mistkrieg! Zal blij zijn wanneer het afgelopen is. Walther heeft het al moeten bekopen en straks gaat Hans er nog achteraan. Je mag hopen dat de Russen de boel hier niet op stelten komen zetten, want verliezen doen we sowieso.” ”Niet zo hard praten, jongen.”, zei Claus ernstig. ”Hier thuis wel, doch um Gotteswillen niet in het dorp. Anders kom je nog in de militaire gevangenis terecht, of schoppen ze je in een strafbataljon.” ”Je hebt gelijk, Vati. Ze hebben mijn bek goed verbouwd, maar hij is nog steeds te groot voor het Reich. Komm, ik snak naar een borrel.”

Remmelt en Helmut waren leeftijdsgenoten, die al snel vriendschap sloten. Je raakte gauw genoeg gewend aan zijn verminkte gezicht, maar minder snel aan zijn harde cynisme en zijn totale minachting voor wat voor conventie dan ook. Maar onder die harde buitenkant zat een sympathieke, intelligente en gewetensvolle jongeman. Na vijf weken werd eerste luitenant Juncker opgeroepen om opnieuw dienst te doen. ”Nah gut”, zei hij, ”ik begon mij hier toch al te vervelen. Laat ik maar zien of ik die arme zwijnen die ik onder mijn commando krijg zoveel mogelijk levend door die gore rotzooi heen kan slepen.” Hij omarmde zijn beide ouders en Remmelt kreeg ten afscheid een stevige hand. Helmut keek hem daarbij met zijn overgebleven rechteroog indringend aan, met de woorden; ”Pas goed op mijn ouwetjes.”

Wat doet de bemanning van een aangeschoten Amerikaanse bommenwerper op weg naar een missie? Die gooien hun bommenlast er lukraak uit, keren hun wrakke kist om en trachten terug op hun basis in Engeland te komen. En wanneer drie van zulke bommen toevallig op een boerderij terechtkomen, ziet het er slecht uit voor de mensen die zich daarin bevinden. Dan mag een inwonende knecht van de Arbeitseinsatz van geluk spreken wanneer hij met een paard naar de smid is gegaan. Remmelt kon voorlopig op verlof terug naar huis. Maar toen hij na nauwelijks een week weer zo’n brief op grauw papier kreeg, besloot hij onder te duiken op de boerderij van een legermaat uit Groningen. Daar werd echter kort daarop een razzia gehouden. Een trein met zes goederenwagons pufte naar het Oosten. In die trein zaten opgepakte mannen en jongens uit alle delen van Nederland. Zij werden bewaakt door een peloton van de Vlaamse SS. Iets voorbij Münster nam een Britse Mosquito de trein onder vuur. Meer dan twintig mannen en jongens in de twee voorste wagons vielen ten prooi aan zware 50 mm kogels en de lichtspoormunitie zette de voorste wagon in brand. De stoomketel van de locomotief werd doorzeefd en de trein kwam tot stilstand. In de daaropvolgende chaos waagden een stuk of veertig mannen en jongens uit de twee achterste wagons een vluchtpoging. Zij werden al snel achterhaald door hun bewakers en er vielen opnieuw vier dodelijke slachtoffers. Iedereen werd teruggevoerd naar het station van Münster. Daar aangekomen organiseerden hun bewakers een hardloopwedstrijd tussen diegenen die een vluchtpoging hadden gedaan. Iedere laatste man werd doodgeschoten. ”Gij `Ollaanders wilde toch zo geern hard lopen?”, grijnsde Sturmbannführer Sjef Verpoorte. Vijf keer was Remmelt met zijn lange benen een van de snelste en vijf keer knalden er schoten. Er was een andere locomotief voor de zes overgebleven wagons gezet. De gevangenen werden erin gedreven om de reis te vervolgen.

Remmelt kwam in een vreselijk oord terecht. Een kolenmijn in Pools Silezië, waar zowel dwangarbeiders als Russische krijgsgevangenen te werk waren gesteld. De mannen zagen nooit daglicht en kregen nauwelijks te eten. Naast kolen was het voornaamste bijproduct van deze mijn lijken. Na enkele weken hoorde ook Remmelt bij de broodmagere, zwart bestoven en in stinkende lompen gehulde spoken, die door hun bewakers met zwepen, knuppels en laarzen werden aangespoord. Deze bewakers waren voormalige Duitse tuchthuisboeven, die een ware terreur uitoefenden. Remmelt wist te overleven door stiekem bloed uit de hals van mijn-paarden af te tappen en dit op te drinken. Het smaakte afschuwelijk, maar het hield hem ietwat op krachten; acht helse maanden lang.

Eind februari 1945 werden zij bevrijd door het Rode Leger. Over het lot van hun bewakers kan maar beter gezwegen worden. Hoewel de meeste Russische krijgsgevangenen nauwelijks nog op hun benen konden staan, wilden zij maar een ding; wapens en de strijd aanbinden met de door hen vurig gehate vijand. Remmelt had een beetje Russisch geleerd en voelde daar ook wel voor. Hij kreeg een bruin uniform, laarzen met voetlappen en een geweer. Hij hoorde toen bij de West Siberische infanterie-eenheid als ”Gollandski Rimmelt.” Hij vocht zij aan zij met hen mee. Het was een wrede manier van oorlogvoeren en wederzijds werd er geen pardon gegeven of verwacht. De eerste week van mei staakte de strijd. Wat er nog over was van het Duitse leger kwam uit hun schuilplaatsen te voorschijn en gaf zich over. Zij werden zonder veel plichtplegingen naar het Oosten afgevoerd. Remmelt kreeg van kameraad kapitein Gregori Sergewitsch Weljikow de orde van de rode vlag opgespeld. Daarna moest hij zijn wapens inleveren, met het advies om naar huis te gaan. Zijn maten stopten zijn rugzak vol met zwart brood, spek, machorka tabak en twee flessen wodka en wensten hem het beste. Hij liep dagen achter elkaar westwaarts door een verwoest en ontredderd land. De wegen waren vol met voornamelijk vrouwen, kinderen en bejaarden, die hun schamele bezittingen met zich mee sleepten op oude fietsen of in karretjes en kinderwagens.

In het Harz gebergte werd de weg na Goslar rustig. Hij probeerde een lift te krijgen van een Britse legercolonne, maar de vrachtauto’s lieten hem in wolk van stof staan. Hij liep nog een poos door en rustte toen uit langs de kant van een bosweg. Hij nam een slok water uit zijn veldfles en draaide een sigaret van krantenpapier en machorka. Aan zijn voeten strekte zich een steile beboste helling uit en op een meter of zestig onder hem zag hij daar tussen de bomen het wrak van een grote en dure auto klem zitten. Nieuwsgierig daalde hij af. De auto was onder vuur genomen door een vliegtuig. Op de voorbank lag het lijk van een SS-er en op de achterbank dat van een hoge officier, beiden in verregaande staat van ontbinding. Maar Remmelt zag ook een gouden insigne op de tuniek van deze dode officier. Kokhalzend vanwege de stank haalde hij de onderscheiding eraf en stak deze in zijn zak. Dat goud kon hem nog wel eens goed van pas komen. Een eindje verderop zag hij toen ook een motor liggen met daarnaast nog een lijk. Hij zette het ding rechtop. De BMW motor leek nog geheel intact en onbeschadigd te zijn en bij controle bleek de tank halfvol benzine te zitten. Hij sleepte het ding moeizaam de steile helling op, totdat hij er hijgend en bezweet mee op de weg was aangeland. Hij controleerde de bougiekabels, en flotterde een aantal malen op de carburateur. Zes keer trappen op de kickstarter. De motor sloeg aan en hij reed er met een krakende versnellingsbak en onwennig slingerend mee weg. Na een half uurtje rijden was hij aan de motor gewend en durfde hij wat sneller te rijden. De motor liep goed, maar het frame moest toch een beetje ontzet zijn want het geheel trok nogal naar rechts. Niettemin was dit heel wat beter dan lopen.

Tegen de avond kwam hij aan in Hannover. Hij ruilde daar het gouden insigne met een stel Amerikaanse soldaten voor een volle tank benzine en een slof sigaretten, die door hem in de bagagetas werd gestoken. Daar bleek nog een geladen Mauser pistool in te zitten met twee extra magazijnen, wat hij aan de Amerikanen moest afgeven. Remmelt kende geen Engels, maar het hele contact verliep in gebarentaal. Een sergeant schreef een briefje voor hem waarop vermeld stond dat hij bij de talloze ”displaced persons” behoorde en Remmelt kon zijn weg vervolgen. Hij reed de hele nacht door en kwam in de vroege ochtend aan bij de Nederlandse grens; in een Russisch uniform, op een Duitse legermotor, de tassen vol met sigaretten, maar zonder wat voor geldige papieren dan ook. Hij werd door de Marechaussee opgesloten in een cel van het politiebureau te Ootmarsum. Alles werd in beslag genomen en Remmelt moest zijn linkeroksel laten zien, om te controleren of daar geen bloedgroep in stond getatoeëerd. Want in dat geval hoorde men bij de SS. Dat bleek niet zo te zijn, maar zuivere koffie kon dit volgens de Marechaussee nooit wezen. Die vent kon wel van alles beweren, maar hij had geen enkel geldig document bij zich, behalve dan een slordig geschreven Engels briefje.

Remmelt kwam in een interneringskamp in Veenendaal terecht, tussen NSB´ers en andere collaborateurs, die bepaald niet zachtzinnig werden behandeld. Hij wist daar duidelijk te maken dat hij in het Nederlandse leger had gediend en kreeg daarom permissie om naar huis te schrijven. Deze regelrechte noodkreet belandde bij opoe Lammechien. Haar man Rieks was eind 1944 opgepakt en naar kamp Erica bij Ommen weggevoerd; alleen maar vanwege zijn radiootje en wat illegaal spek dat bij een huiszoeking werd aangetroffen. Dat was teveel voor deze bejaarde man van 78 en na tien dagen in dat kamp was hij aan longontsteking overleden. Lammechien bracht Remmelt’s brief naar de burgemeester. Jonkheer Van Zoelen was twee maanden terug bevrijd uit de gevangenis van Scheveningen. Hij vloekte toen hij deze brief las. Er werd direct een Ford van het militaire gezag met een Canadese chauffeur gecharterd en Van Zoelen liet zich naar Veenendaal vervoeren. Hij was reserveofficier in het Nederlandse leger geweest met de rang van majoor. Hij schold de kampcommandant stijf en eiste op staande voet de vrijlating van zijn jonge dorpsgenoot. Even later zat Remmelt op de achterbank van de Ford naast de burgemeester, die een fles cognac opende. Beiden namen er een aantal flinke slokken uit. Maar toen hij naar zijn grootouders vroeg moest burgemeester Van Zoelen hem het slechte nieuws over zijn opa vertellen. Remmelt’s opgewekte stemming maakte plaats voor een diep verdriet. Al die doden, al die zinloze doden.

Bij thuiskomst kreeg hij een tweede schok te verwerken. Want opoe Lammechien was gedurende de laatste veertien maanden voor hem bijna onherkenbaar verouderd. Van een oudere, maar nog krachtige en rijzige vrouw, was zij veranderd in een verschrompeld besje. Hij werd snikkend door haar omarmd, net als moeder Juncker dat met Helmut had gedaan. ”Och mien jonchien, mien jonchien. Wij dachten dat ie dood waren. Wij dachten echt dat ie ook al dood waren. De Heere zij dank. Ie leeft ja nog. Och mien God, ie leeft ja nog.”

(Lees HIER het vervolg!)

Door:
“Taljaard”
(voor www.ejbron.wordpress.com)

Over E.J. Bron

www.ejbron.wordpress.com
Dit bericht werd geplaatst in Algemeen. Bookmark de permalink .

20 reacties op LONGREAD: Hij die terugkwam

  1. Driek zegt:

    Mooi, beste Taljaard, heel mooi. Ik weet niet hoe ik u moet complimenteren.

    Geliked door 3 people

  2. Martha zegt:

    Schitterend verhaal, geachte Taljaard, ik heb ervan genoten.
    Even vrij van de dagelijkse islamitische ellende, die ons zoveel zorgen baart.
    Ik hoop nog veel van u te mogen lezen.

    Like

  3. Jade zegt:

    U schrijft erg goed, beste Taljaard.
    Ik kijk uit naar deel 2…

    Like

  4. kruisridder zegt:

    Wat een belevenis. Zo heeft iedere familie in de oorlog hun eigen wonden moeten likken. Die van mij ook.

    Like

  5. koddebeier zegt:

    Chapeau, beste Taljaard, een prachtig verhaal, ik zie uit naar het vervolg !

    Like

  6. dutchess43 zegt:

    Kan niet wachten op het vervolg…..

    Like

  7. alidas1 zegt:

    Prachtig Taljaard wat is er toch een ellende meegemaakt .

    Like

  8. Philippine zegt:

    Beste Taljaard, alweer een heel ontroerend en informatief verhaal.
    Hartelijk dank.

    Like

  9. louis-portugal zegt:

    Geweldig.
    Ik moet weer aan mijn vader denken die met een canon uit 1896 een brug over het julianakanaal in Limburg moest verdedigen.
    De commandant had nog het idee om bij een verbindingsweg naar Duitsland de oude dikke bomen te laten ontploffen zodat de duitsers er niet zo gemakkelijk door konden met hun tanks.
    Ondanks zes weken die hij in Sachsenhausen heeft gezeten waarna het wegens onmisbaar terug naar huis werd gestuurd is hij de oorlog verder goed doorgekomen.
    In de verste verte dus niet te vergelijken met de ellende die Rieks en Remmelt hebben meegemaakt

    Like

  10. Fubar zegt:

    Ben der stil van.

    Like

  11. paulzwueste zegt:

    Taljaard.
    Compliment. Ik las het verhaal in een adem uit.

    Geliked door 1 persoon

  12. Pingback: LONGREAD: De brief van tante Stiene | E.J. Bron

  13. D. G. Neree zegt:

    misschien is het handig om onder het artikel een link te zetten naar het vervolg.

    Like

  14. Pingback: LONGREAD: De kleine wereld | E.J. Bron

  15. Pingback: LONGREAD: Wrijvingen | E.J. Bron

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s