LONGREAD: De brief van tante Stiene

Screenshot_53

De Koepel in Haarlem.

(Door: “Taljaard”)

 Onderstaand het vervolg op “Hij die terugkwam.”

Zodra de coöperatieve zuivelfabriek weer kon draaien, kon ook Remmelt weer aan de slag als melkrijder. Maar de domme routine van zeven dagen per week tweemaal daags melkbussen af en opladen, begon hem steeds meer tegen te staan. Voorlopig was er in de buurt geen ander werk te vinden. Behalve dan boerenknecht, maar dat stond hem nog meer tegen.

In het najaar van 1947 kwam er nog een dood en verloren gewaande dorpsgenoot terug. Cor Oosterhof was een zoon van de lokale gemeente-ontvanger. Vader Oosterhof had Cor er als puber met de scheerriem de gereformeerde beginselen in pogen te slaan, met als resultaat dat zijn vijfde kind en enige zoon daar alleen maar meer tegendraads van werd. Louter en alleen om zijn ouders te jennen was hij in 1939 toegetreden tot de N.S.B. en de W.A.. En hoe meer zijn vader daar tegen op stoof, des te meer Cor vasthield aan denkbeelden waar hij zich aanvankelijk eigenlijk helemaal niet zo voor interesseerde. De vuistslagen van zijn vader op de tafel werden ten slotte overstemd door de klap waarmee Cor de deur van zijn ouderlijke huis achter zich dicht smeet om met de Nederlandse SS tegen Stalin en de bolsjewieken te gaan vechten.

Hij kreeg al snel genoeg in de gaten dat hij hier de fout van zijn leven mee had gemaakt en dat dit het domste was geweest dat hij ooit had kunnen doen. Want aan het Russische oorlogsfront werd hij heel snel genezen van wat voor nazisympathieën dan ook en kon hij niets anders doen dan het afschuwelijke oorlogsgeweld maar zoveel mogelijk heelhuids door zien te komen. Met meer dan vierhonderd man was men, na een keiharde training, in het najaar van 1942 de oorlog in gegaan. En met minder dan veertig overgeblevenen moesten zij zich tenslotte in het voorjaar van 1944 aan de Russen overgeven. In een Siberisch krijgsgevangenenkamp stierven er tussen 1944 en 1945 nog eens vijfentwintig van dit gezelschap en Cor kon letterlijk zijn tranen afvegen met het vel van zijn buik. Na de zomer van 1945 werd de behandeling iets beter, maar de harde dwangarbeid, die bestond uit 11 uur per dag en 7 dagen per week hout hakken met idioot hoge normen, bleef dezelfde. Cor had zich er al mee verzoend dat hij hier ook zijn graf zou vinden, toen hij, en de drie Nederlanders die er nog waren overgebleven, uit de rij van het ochtendappel werden gehaald. Zonder enige uitleg werden zij naar een depot vervoerd. Vandaar werden zij overgedragen aan de NKVD. Cor dacht dat zijn laatste uur geslagen had. Maar in plaats daarvan kregen zij voor het eerst in jaren een goede maaltijd en een officier, die Duits sprak, gaf hen te verstaan dat zij naar huis zouden gaan.

Eerst werden zij met de trein naar Tomsk gebracht om daar met nog een honderdtal andere Nederlanders, Vlamingen en Walen een week of zes te verblijven in een oud klooster dat tot gevangenis was omgebouwd. Zij werden daar ontluisd en voor de duur van zes weken vet gemest alvorens zij uit ”Hotel Stalin” konden vertrekken en een lange treinreis naar de grens van de Russische en Amerikaanse bezettingszone in Duitsland moesten ondernemen. Daar moesten zij het verder zelf maar uitzoeken. En zo kwam Cor weer thuis. Hij werd door zijn dorpsgenoten met de nek aangekeken en ook zijn ouders waren hem liever kwijt dan rijk.

Remmelt en een aantal andere jongemannen uit Zuidwolde wachtten Cor op een avond op om hem af te rossen. Tot hun verbazing bood hij  helemaal geen tegenstand, maar zei hij tegen hen dat hij het helemaal verdiend had wanneer zij hem dood zouden slaan. Cor had een paar dagen geleden gehoord wat er precies in de concentratiekampen was gebeurd en voelde zich ellendig. De voorgenomen afranseling eindigde ermee dat Cor met deze andere jongemannen een lang en ernstig gesprek had en hij onder hen weer in genade werd aangenomen. Hij kon met Remmelt spreken over zaken en belevenissen waar de anderen geen idee van hadden en zo sloten de twee jonge mannen vriendschap. Er werd werkvolk gevraagd in de Noordoostpolder en Cor en Remmelt gingen daar op in. Maandagochtend om vier uur werden zij, samen met nog tien anderen, bij het station van Meppel met een vrachtwagen opgepikt. Zij verbleven de hele week tot zaterdagmiddag in de polder en werden dan `s avonds weer in Meppel afgezet. Na verloop van een paar weken verkozen Cor en Remmelt om ook op zondagen maar in de polder te blijven. Hun werk bestond uit het met de schop egaliseren van wegbermen en sloot-wallen en het graven en weer dichtmaken van sleuven voor rioleringen en waterleidingen. Zij verdienden daarmee 45 gulden netto in de week, waarvan Remmelt elke week trouw 35 gulden aan opoe Lammechien overmaakte. Cor hield zijn hele loon voor zichzelf, want hij had geen goede band met zijn ouders.

Op zaterdagavonden zetten veel van deze jonge werkers de danszalen van de rondom de Noordoostpolder gelegen steden en dorpen op stelten en was men in een felle vete met leeftijdsgenoten uit Urk verwikkeld. Dan kwam de Rijkspolitie en werden zij, vaak met dikke lippen, dicht geslagen ogen, los zittende tanden en bloedneuzen, in de cellen van het nieuw gebouwde politiebureau in Dronten opgesloten. Drie cellen voor de polderwerkers en een cel voor de Urkers. Maandagochtend werden de polderwerkers daar met wagens van de bedrijven waar zij werkten opgehaald. En iets later kwamen dan verbolgen vaders en ooms in klederdracht uit Urk aanzetten, die hun zonen en neefjes dan, scheldend hen om de oren slaand en met klompen onder hun achterste schoppend, richting bushalte dreven. Om van deze overlast verlost te zijn werd er in het kamp waar Cor en Remmelt verbleven door de gezamenlijke bedrijven een café en een dansbarak ingericht. Het bier en de drank werd belastingvrij verstrekt en op zaterdagavonden was er muziek. Er was bij deze gelegenheden een chronisch gebrek aan vrouwen, behalve dan enige dames met mannelijke begeleiders, die men slechts met de groots mogelijke welwillendheid nog ”dames” kon noemen. Er werden rubberwaren verstrekt die afkomstig waren uit een voormalig depot van de Duitse Wehrmacht. Deze waren van zo’n uitstekende kwaliteit en dikte dat zij ook heel goed konden worden gebruikt om lekke hydraulische leidingen van graafmachines mee af te dichten. Tijdens zulke zaterdagavonden rosten de kerels op hun werkschoenen en klompen op de vloer van de barak dat de ramen ervan rinkelden. Het bier en de drank vloeiden rijkelijk en het zicht was hoogstens een meter dankzij de tabaksrook.

Het kwam op een van die avonden tot een steekpartij, waarbij een souteneur een jongen uit Oldemarkt het ziekenhuis in stak. De ”heren” werden daarop met bebloede koppen uit het kamp gejaagd, vergezeld door hun krijsende ”dames.” Er kwam daarna een andere uitvoerder. De cafébarak werd voortaan op zaterdagen, net als doordeweeks, om acht uur `s avonds gesloten. Op zondagochtenden werden er toen protestantse kerkdiensten gehouden en op zondagavonden Roomse missen. Maar er werd op zaterdagmiddagen een boksring in de barak opgezet, waarbij de uitvoerder ook voor bokshandschoenen zorgde. In hun hemd en op sokken gingen de kerels elkaar fanatiek te lijf. Men sloot weddenschappen af en het kwam tot een ware poldercompetitie. Ondanks zijn lengte was Remmelt snel en lenig en hij beschikte over sterke en lange armen. Na verloop van tijd was hij de onbetwiste kampioen van het kamp. Er kwamen mannen in het kamp van een bedrijf dat bovengrondse elektrische leidingen aanlegde. De voorman was Janus Verdonk; een vierkant gebouwde Brabander met bloemkooloren en een kop als beton. Janus was voor de oorlog een geducht bokser in het halfzwaargewicht geweest. Hij rekende kort met drie achtereenvolgende tegenstanders af, totdat hij tegenover Remmelt kwam te staan. Janus schatte hem in; een snotneus die iedereen hier de baas is en daarom denkt dat hij boksen kan. Maar Janus had niet minder dan vier ronden nodig voordat de scheidsrechter de strijd staakte en Remmelt op punten had verloren.

Toen Remmelt in het achterkamertje op een stoel zat om een gescheurde wenkbrauw te laten hechten kwam Janus het vertrek binnen. ”Jongen, wat kunde gij boksen!”, zei hij waarderend. ”Waar hedde gij da geleerd?” ”Nergens.”, antwoordde Remmelt. ”Gij he talent. Sta je erop om hier achter den schop te blijven, of wilde gij misschien bij ons komen werken? Wij zoeken nog drie man. De verdiensten zijn 60 gulden schoon in den week. En ons werk heeft ook nog tot voordeel dat ze jou niet kunnen oproepen om in Indië te gaan vechten.” Remmelt sloeg toe. Hij vroeg of Cor ook mee kon en dat werd eveneens afgesproken. Enige weken later stond hij met klimijzers aan zijn voeten stalen haken voor porseleinen potten boven in houten palen te draaien. Het bedrijf trok het hele land door en men verbleef in hotels en kosthuizen. Remmelt had met Janus afgesproken dat deze hem zou trainen. Hij mocht niet meer drinken, weinig roken, en hij moest met een leren zak met zand over zijn schouders hard lopen. Eerst maar een kilometertje, maar tenslotte vijf kilometer en meer. Op diezelfde leren zak moest hij met zijn blote vuisten slaan, totdat het bloed op zijn knokkels stond en zijn armen wel in brand leken te staan. Maanden achter elkaar. Hij kreeg ijzerharde vuisten, oersterke armen en een conditie als een trekpaard. En Janus leerde hem een heel areaal aan schijnbewegingen en trucjes. Daarna liet hij hem op zaterdagavonden en zondagen boksen. Deze wedstrijden werden door een heel ander publiek bezocht dan in de polder. De weddenschappen waren ook veel hoger en Remmelt’s verdiensten overtroffen menigmaal een veelvoud van die van zijn werk. Hij kon een nieuwe Harley Davidson Liberator met zijspan kopen.

Janus kreeg in een kosthuis kennis aan een jonge Brabantse boeren-weduwe. Binnen vier maanden was hij met haar getrouwd en zei hij zijn werk vaarwel om voortaan met zijn Marie varkens te gaan mesten en biggen op te fokken. Cor nam de managerstaken voor Remmelt van hem over en de hoge extra verdiensten door het boksen bleven. Hij stuurde duizend gulden naar opoe Lammechien met het verzoek dat geld voor hem te bewaren. Het werk voerde hem naar Huizen en hij besloot om daar eens navraag te doen naar Trees. Hoe zou het eigenlijk met haar gaan? Was zij intussen getrouwd? De winkel was er nog en hij ging gewoon naar binnen. Hij was per slot van rekening geen jongen van 20 meer, die zich zomaar door zo’n kruideniertje kon laten intimideren. Mevrouw Thijssen stond achter de toonbank en zij herkende hem direct.

”Meneer Holtvoort. ”, zei de vrouw verrast. ”U hebt de oorlog dus overleefd?” ”Zoals u ziet, vrouw Thijssen. Mag ik u vragen hoe het met Trees is?” De vrouw begon te snikken. ”Och jongen, ons meisje is er niet meer. Zij heeft TBC opgelopen, midden in de oorlog moet je weten, en ze is nu alweer bijna vijf jaar weg. Mijn man is er ook niet meer. Hij verdeelde valse bonkaarten voor onderduikers en ze hebben hem verraden. Niemand weet waar hij is gebleven. Ik heb nog zo tegen mijn man Jan gezegd, ja dat moet je echt weten; ik zei tegen hem dat jij toch een nette jongen was. En ook nog van onze kerk. Maar Jan wilde er niets van weten. Hij was bang dat het oorlog en weer crisis zou worden en dat Trees daarom bij jou in de armoede terecht zou komen. Maar, maar….(snik) wanneer zij met jou was getrouwd had ze nu nog geleefd. En jullie zouden zo’n mooi span zijn geweest. Een zonde voor God is het geweest wat Jan heeft gedaan, een zonde voor God. Want wat Hij samenvoegt, mogen wij mensen niet scheiden.” De vrouw veegde haar tranen af met haar witte winkelschort en zei gesmoord; ”Neemt u mij niet kwalijk.” ”Geeft niks, vrouw Thijssen.”, antwoordde Remmelt aangedaan. ”Het spijt mij heel erg voor u om dit te moeten horen.” ”Het is zes uur.”, zei de vrouw. ”Ik sluit de winkel, maar ik zou graag nog een poosje met u willen praten. De koffie is zo klaar en u lust vast en zeker ook wel een boterham.” Het viel Remmelt op hoeveel deze hartelijke en goedige vrouw eigenlijk op Trees leek. Zij hadden een lang gesprek, waarin zij elkaar al snel bij de voornaam noemden, en hij Hannie Thijssen van zijn oorlogsbelevenissen op de hoogte bracht. ”Ook al, ook al! Oh die vreselijke oorlog. En die arme oude opa van jou.” reageerde Hannie ontdaan. Voordat zij afscheid namen haalde Hannie een schrift met een harde kaft uit de kast. ”Het dagboek van Trees.”, zei ze. ”Dat moet jij echt lezen.”

Terug in zijn kosthuis ging hij op het bed zitten om dit dagboek te lezen. Hij herkende het ronde en wat onbeholpen typische meisjeshandschrift. En wat hij las ontroerde hem. Wat had die lieve meid van hem gehouden; veel dieper en meer dan hij voor mogelijk hield. Na hun laatste correspondentie had haar vader haar het schrijven van verdere brieven naar hem verboden. En daarom had zij deze brieven aan hem in haar dagboek geschreven. Daarin schreef zij hoe vreselijk hij door haar werd gemist en hoeveel zij wel niet naar hem verlangde.  Zij bad tot God dat hij door Hem zou worden beschermd, tegen de boze machten van dood, zonde en duisternis die hun land en bijna de hele wereld in hun greep hadden. Zij vertelde over de ziekte die zij had gekregen en over haar vader, die was gearresteerd en van wie zij daarna niets meer hadden vernomen. De brieven werden korter en het handschrift moeilijker te lezen. Maar wat er wel uit kon worden opgemaakt was dat haar laatste gedachten bij hem waren. Er kwam een mist van tranen voor zijn ogen. Hij klapte het dagboek dicht. Het werd zorgvuldig bij zijn kostbaarste bezittingen opgeborgen. Die nacht kon hij de slaap niet vatten.

De volgende morgen vertelde hij Cor dat hij deze zondag niet ging boksen, maar in plaats daarvan zijn grootmoeder wilde bezoeken. Die zondagochtend zat hij voor het eerst in jaren naast opoe Lammechien in de kerk. Alles daar was hem dierbaar bekend en vertrouwd en de grijze ds. Kok knikte hem tijdens zijn preek vriendelijk toe. Tijdens het lange gebed voor de Schriftlezing keek hij verstolen hoe het oude vrouwtje, in haar te groot geworden zwarte zondagse jurk en met gesloten ogen in een gerimpeld gezicht onder haar witte kanten muts, ernstig met tandeloze mond het Onze Vader mee prevelde. Lieve oude opoe. Wat was zij goed voor hem geweest en wat hadden zij en opa hem een mooie en onbezorgde jeugd bezorgd. Tijdens de preek dommelde de oude vrouw in. Remmelt stootte haar zachtjes aan. ”Rieks?”, mompelde zij even verward toen zij hem aankeek, waarna zij geërgerd en scherp ”Schaamt oe toch, jonk.” fluisterde. Na de dienst liepen zij over het kerkhof naar het graf van Rieks. Stil en gebogen stond de oude vrouw daar. Remmelt legde zacht zijn arm om haar heen. Hij bokste daarna niet langer meer op zondagen, maar zocht in plaats daarvan zoveel mogelijk zijn grootmoeder op. Cor begreep en respecteerde dit. Het scheelde heel wat in de verdiensten, maar zowel hij als Remmelt hadden in die dagen niets anders nodig dan de kost en hun werk.

Remmelt dacht na over zijn leven tot nu toe. Wat had hij er eigenlijk van gemaakt? Geld had hij genoeg verdiend, maar voor de rest was het leeg. Hij realiseerde zich dat hij, met dat boksen van hem, zijn woede over de oorlog en wat hem en zijn geliefden daarin was overkomen eruit had willen slaan. Maar dat dit van hem een eenzame en grimmige vechtersbaas had gemaakt, die door veel mensen wel werd gerespecteerd, maar ook gemeden. De meeste mannen van zijn leeftijd hadden al een vrouw en kinderen. Wanneer het anders zou zijn gelopen met Trees… Maar zij was er niet meer. Het werk voerde hem naar West Friesland. Komende zaterdag zou de dochter van zijn oudste oom Klaas, de stiefzoon van opa, trouwen. Hij besloot om daar eens goed voor de dag te komen en reed op vrijdagmiddag met zijn Harley naar Amsterdam. Hij kocht in de Bijenkorf een donkerblauw pak met een double breasted colbert en een breedgerande hoed, met een wit overhemd en een paar nieuwe zwarte schoenen. ”Meneer lijkt zo sprekend op Charlton Heston.”, kweelde de winkelbediende bewonderend. Er was iets met dit geparfumeerde mannetje wat hem tegenstond. En wie die ”Hesten” moest wezen wist hij ook niet, want hij kwam nooit in een bioscoop. De stropdas voor dit nieuwe goed zou hij wel ergens anders kopen en hij rekende snel af.

Het pak liet hij aan. Zijn oude spullen borg hij in het zijspan van zijn motor. Hij was ijdel genoeg om toch even zijn weerspiegeling in een winkelruit te bekijken. Daar liep inderdaad een hele meneer. Maar nu nog een mooie das erbij. Hij liep de ”Galerie Moderne”, op de hoek van de Heilige Weg en de Kalverstraat, binnen. Daar stond een winkeljuffrouw achter een toonbank. Een knappe jonge vrouw van zijn leeftijd; met bijna zwart haar, maar met heldere en doordringende lichtgrijze ogen. Zij was groot, nauwelijks een hoofd kleiner dan hij. Zij had een mooi en vrouwelijk figuur en was gekleed als een echte dame. Nou zeg, wat een moot van een meid. ”Kan ik u helpen, meneer?”, vroeg zij terwijl zij hem met haar mooie ogen aankeek. ”Ja juffrouw, dat kunt u. Ziet u, ik moet morgen naar een bruiloft. Nu heb ik net een nieuw pak gekocht en daar zoek ik nog een mooie das met een dasspeld bij; zo eentje met een hoefijzer en een paardenkop. Hebt u dat?” ”Dat hebben wij wel, meneer, Maar wanneer u bij dit pak zo’n ordinaire dasspeld koopt lijkt u geen heer meer, maar alleen maar iemand in dure kleren. Wilt u dat?” En zij keek hem een beetje uitdagend en guitig aan. Die meid durft. Dat is er eentje met karakter. Leuk. ”Ik denk dat u daar meer verstand van hebt dan ik, juffrouw. Dus zoekt u het maar uit.” Zij zocht een lichtblauwe zijden das uit met een dunne oranje dwarsstreep. ”Echt feestelijk en heel geschikt voor een bruiloft.”, zei ze. ”Wel een beetje duur, maar dat kunt u vast en zeker wel betalen.” ”Denkt u soms dat ik een directeur ben of zoiets, juffrouw.” ”Nee; u bent een vrijgezelle werkman met een goede baan.” ”Hoe weet u dat?” ”U hebt een bruin verbrand gezegd en eelt op uw handen. En daar zie ik geen trouwring aan. U kijkt niet op een paar gulden en aan uw spraak te horen komt u ook niet uit deze omgeving.” Zo, zo. Bepaald niet achterlijk die. Ze bevalt mij steeds beter. ”Dat is zo, juffrouw.” ”Mag ik u vragen waar u vandaan komt, meneer?” ”Zuidwolde in Drenthe.” ”Ach kiek, en ik komme uut Hollandscheveld.”, antwoordde de juffrouw opeens in onvervalst Nedersaksisch. ”Hoe komt u dan hier dan zo terecht?”, vroeg Remmelt verbluft. ”Lang verhaal, maar ik kan het zelfde wel aan u vragen.” ”Hoe heet u?” ”Jaantien Lusseveld, maar ze noemen mij hier Jannie. En hoe heet u?” ”Remmelt Holtvoort, en ze noemen mij ook zo; hier en overal. Hebt u misschien al verkering, of bent u getrouwd?” ”Behoorlijk onbescheiden en kort aan vragen, meneer Holtvoort. Waarom wilt u dat weten?”, antwoordde Jannie een beetje snibbig. Remmelt voelde zich opeens opgelaten. Domme kaffer! Wat moest die juffrouw Lusseveld nu wel niet van hem denken? Hij rekende af en verliet de winkel, nog lang nagekeken door Jannie Lusseveld. Wat een knappe vent. Maar ook lomp; echt boers.

Jannie had tot voor kort verkering gehad, vrij lang en vast ook. En wel met een piloot van de K.L.M.. Maar zij was door hem bedrogen met een stewardess, die hij ook nog zwanger had gemaakt en tot een abortus had gedwongen. Dit meisje had Jannie daarna opgezocht om eens een boekje bij haar open te doen over ”mooie Ralf” de la Bije. Toen Jannie hem hiermee confronteerde, schold Ralf haar uit voor ”bekrompen boerentrien.” Hij kon nog net bukken voor een asbak die naar zijn hoofd werd gesmeten. Een woest kijvende Jannie sommeerde hem haar kamer onmiddellijk te verlaten. Toen Ralf haar om zijn dure verlovingsring vroeg pulkte ze die van haar vinger en smeet het voorwerp achter hem aan van de trap af, met de woorden; ”Vreet hem voor mijn part op, vieze hoelak!” Dat was vier dagen voordat zij Remmelt voor het eerst ontmoette. Erg veel zin in een nieuwe relatie had zij dus niet direct, maar deze Drentse kerel had niettemin nogal wat indruk op haar gemaakt en de gedachte aan hem liet haar niet los. Een heel ander type dan Ralf; ongekunsteld, rechtuit en waarschijnlijk ook goudeerlijk. Het speet haar nu dat zij hem zo snibbig had behandeld. Ze zou hem natuurlijk nooit weer terugzien; jammer, maar het is niet anders.

Tot haar grote verrassing kwam hij echter twee weken daarna weer de ”Galerie Moderne” binnenlopen, en wel net zo gekleed als de laatste keer. Zij zag dat hij naar de kapper was geweest en zich ook nog zorgvuldig had geschoren. Hij wilde dus goed voor de dag komen. Speciaal voor haar misschien? ”Dag meneer Holtvoort. Wat een verrassing. Waarmee kan ik u van dienst zijn?” ”Nou ziet u, juffrouw Lusseveld; ik heb een heel aardig meisje ontmoet. En nu zou ik haar graag een mooi cadeautje willen geven. Maar ik heb geen idee wat een meisje eigenlijk leuk vindt. Wanneer u nu eens wat uitzoekt wat u zelf ook mooi vindt komt dat vast wel goed.” Jannie was danig teleurgesteld. Hij heeft dus een meisje ontmoet. Op die bruiloft natuurlijk. Ja, zo gaan die dingen nou eenmaal. Zuchtend en gelaten zocht zij een mooie hoofddoek uit van Franse zijde. ”Ik geloof dat dit wel bij haar in de smaak zal vallen, meneer Holtvoort.” ”Goed, juffrouw Lusseveld. Pakt u het dan maar in en maak er maar wat moois van.” Nadat Remmelt had afgerekend legde hij het pakje weer voor Jannie op de toonbank neer. ”Is het niet goed?”, vroeg zij stuurs. ”`t Is heel goed, wicht.” antwoordde Remmelt met een brede glimlach. ”Maar dat cadeautje is voor jou. Want jij bent dat leuke meisje wat ik heb ontmoet. Snap je?” Jannie bloosde tot in haar hals en een collega winkelmeisje, dat alles had gezien en gehoord, schaterde het uit. Wat een mop!

Veertien maanden later liepen zij gearmd en getrouwd de kerk van Zuidwolde uit. Zij gingen beiden wonen in Amsterdam, op de twee kamers die Jannie huurde boven een sigarenwinkel in de Ferdinand Bolstraat. Het meeste werk van Remmelt was toch in het Westen en woonruimte was zeer moeilijk te krijgen. Zij hadden niet veel, maar zij hadden elkaar en dat was voorlopig genoeg. Op een gure voorjaarsdag zouden zij samen een bezoek brengen aan een collega van Jannie, die ook pas was getrouwd en in Velsen woonde. Met zijn jonge vrouw in het zijspan van zijn motor reed Remmelt de pont over het Noordzeekanaal op. Een aantal arbeiders van de Hoogovens was in staking en deelde op de pont folders van de C.P.N. uit. Op de beide oevers stonden twee politieagenten hierop toe te zien. De pont liet de voorste klep zakken en een agent, gekleed in een halflange leren winterjas, stapte aan boord. Jannies mond viel open van verbazing, die toen direct plaats maakte voor een wilde en brandende woede. Rooie Eppe! Niet te geloven! Hadden ze die vuile landverrader, die de dood van haar broer en haar vader op zijn geweten had, dan niet tegen de muur gezet, of in de gevangenis gestopt? ”Ik ken oe wel, Egbert van Lingen.”, schreeuwde zij woedend. ”Oh ja, smerige ploert, ik ken oe wel!” ”Wat heb jij nou dan?”, vroeg Remmelt verbaasd. ”Dat is Rooie Eppe, Remmelt. Daar heb je hem! Daar heb je hem!” Zij stond in het zijspan en priemde met haar vinger in de richting van de agent. Met een grijns onder zijn politiepet liep Van Lingen het echtpaar tegemoet. ”Kiek eens aan, Jaantien Lusseveld.” , zei hij spottend in het Nedersaksisch. ”Ja, dat valt oe vies tegen he’? En nog steeds de zelfde grote bek en minachting veur het wettelijke gezag. Dat is oen va en dat breurtien van oe slecht bekomen. En pas ie ook maar op.” ”Wil ie oen waffel wel eens even houden tegen mijn vrouw, stuk ellende! Anders zal ik met oe afrekenen!”, bulderde Remmelt verbolgen. ”Ik weet niet wie as ie bent, man.”, reageerde Van Lingen. ”Maar zo’n grote bek pik ik niet als ambtenaar in functie. Ik zal oe eens een flinke prent geven.” Remmelt stapte grimmig zwijgend van zijn motor af en liep in Van Lingen´s richting. Deze trok zijn dienstpistool. ”Nog een stap en ik schiet oe veur oen raap”, zei hij met een stem waarin angst te bespeuren viel. Remmelt liep door. Van Lingen schoot. Maar zijn belager maakte, als een bokser, een snelle ontwijkende beweging en de kogel belandde in een kurken reddingsboei. Jannie gilde. Van Lingen werd bij zijn koppelriem gegrepen en overboord gegooid; in ijskoud en smerig water met een zware leren jas aan. Een goed zwemmer was hij niet. En hij zou zeker verdronken zijn wanneer een van de stakende arbeiders hem niet snel de reddingboei, met daarin de kogel uit zijn eigen pistool, had toe geworpen.

Remmelt werd gearresteerd en in het huis van bewaring opgesloten. Het Openbaar Ministerie beschuldigde hem van poging tot doodslag op een ambtenaar in functie. Men eiste twee jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf en de rechter oordeelde conform deze eis. Wachtmeester Van Lingen had na de oorlog slechts een vermaning gekregen. Hij werd gedegradeerd tot brigadier en overgeplaatst naar een ander deel van het land, maar daarna ook volkomen gerehabiliteerd. Remmelt zat in de koepel te Haarlem. Jannie kreeg kort daarop op haar werk ontslag aangezegd. Want, zo werd haar te verstaan gegeven, voor personeel dat zich afgaf met gevangenis-geboefte was er bij dit nette bedrijf geen plaats. Bij andere winkelbedrijven hoefde zij het ook niet te proberen, omdat de Amsterdamse middenstand in die dagen voor zulke gevallen over een zogenaamde ”zwarte lijst” beschikte. Zij moest in haar schrale levensonderhoud als schoonmaakster voorzien. Op een zomerdag kreeg zij een brief met de volgende letterlijke inhoud;

 Zuudwolde den 27 Junie 1953

Waarde Jaantien,

Waarom bent U niet naar ons gegaan domme deerne want wij hebt gehoort van Remmelt wat der is geschiet en dat ons jochie Rooien Eppe in het water heef geflikkert en was hem maar verzoopen en nu moet U eensch eeven heel goed naar mijn luisteren want Mans en ikke komt U volgende weeke dingsdag zoo den Heere wil en wij leeven met den vrachtwaagen ophaalen en U kunt dan zoolank bij mijn moe onderdak zoolank ons jochie in het gevang zugt en haar helpen in huus want zij wort oud en teegen spreeken zal Uwes niet baaten want wij hebt het  met Uwe moe in Hollandscheveld overlegt en zij is het heelegaar met ons eensch en laat hullie van de winkels ook maar in den stront zakken met hullie zwarte lieste en wij komt dus dingsdag aankommende weeke bij U aan om U op te haalen en ziet dat U Uwen spulletjes dan bij mekaar hebt. Gods zeegen en een dikke smok van Uwen liefhebbenden tante Stiene en Uwen oome Mans doet U ook den hartelikken groetenissen.

Met den meesten hoogachtink

Stijntje Dogge-Holtvoort

De kerkenraad van de gereformeerde kerk in Zuidwolde, met ouderling Mans Dogge, schreef over deze zaak naar Kamerlid Algera van de A.R.P.. Deze broer van een hoofdonderwijzer uit Dedemsvaart maakte het geval aanhangig bij de minister van Justitie en Remmelt werd al na 10 maanden uit de gevangenis ontslagen. Hij kon bij een aannemer uit Zuidwolde aan de slag en trok met zijn Jannie bij opoe Lammechien in. Deze oude vrouw was in de 80 en begon hulpbehoevend te worden. Zij was vrijwel blind door grauwe staar en kampte met versleten heupgewrichten, maar haar geest was nog vlijmscherp en haar tong dus ook. Lammechien was nooit een van de makkelijkste in de omgang geweest en Jannie moest soms behoorlijk wat van haar slikken. Wanneer dat te erg werd gaf Jannie haar terug, want ook zij had haar op de tanden. Maar onder haar knorrigheid had Lammechien een goed hart en zij begon haar schoon-kleindochter steeds meer te waarderen.

In het voorjaar van 1955 werd het eerste kind geboren; een flinke meid van acht pond met een zwarte bos haar, die Rieka werd genoemd. Omdat het nogal een moeilijke bevalling was geweest, kwam dokter Van Koppenaele een paar keer langs, maar Jannie was een kerngezonde jonge vrouw die er snel weer bovenop was. De dokter merkte de grauwe staar en de blindheid van Lammechien op. ”Zeg moedertje Holtvoort”, zei hij tegen haar, ”weet u wel dat het helemaal niet nodig is om zo blind te blijven sukkelen?” ”Wat weet ie daarvan?”, vroeg Lammechien laatdunkend. ”Wat ik daarvan weet is dat uw blindheid tegenwoordig met een heel simpele ingreep in het ziekenhuis verholpen kan worden.” ”Als God mij blind heeft gemaakt dan heeft Hij daar een reden voor.” ”En wanneer er een middel bestaat tegen uw blindheid heeft God daar geen bedoeling mee? Het is een ingreep die bijna niks voorstelt. En daarna kunt u weer zien. Of wilt u dat soms niet?” Lammechien werd de week daarop door haar schoonzoon Mans in diens vrachtwagen naar het ziekenhuisje in Hoogeveen gebracht en twee dagen later kon Remmelt haar in het zijspan van zijn motor ophalen. Zij zat hem al op het bankje bij de ingang op te wachten, met een nieuwe bril op haar neus, de karbies met haar nachtgoed op schoot en haar wandelstok naast zich. Het eerste wat zij opmerkte was; ”Je mag dat ding wel eens schoonmaken.” En daarna: ”En je had je ook wel kunnen scheren.” ”Je kunt dus weer zien, opoe?”, lachte Remmelt. ”Klets niet zo dom, jonk. Anders zag ik dat toch ook niet? Allo, help mij eens in dat beest, want ik heb hier lang genoeg zitten wachten.” Eenmaal thuis aangekomen liep zij, in plaats van zoals voorheen met de stok tastend voorzichtig vooruit te schuifelen, rustig en zeker haar huisje binnen. Het eerste wat zij deed was haar achterkleindochter Rieka uit haar wiegje oppakken en met deze baby in haar armen op haar rotanstoel naast de kachel plaatsnemen. ”Och, klein maachien, wat ben ie ja mooi, wat ben ie ja toch prachtig.”, zie de oude vrouw ontroerd; het kindje liefdevol in haar armen houdend.

Door:
“Taljaard”
(voor www.ejbron.wordpress.com)

Over E.J. Bron

www.ejbron.wordpress.com
Dit bericht werd geplaatst in Historie. Bookmark de permalink .

22 reacties op LONGREAD: De brief van tante Stiene

  1. koddebeier zegt:

    Ongelofelijk een 10 met een griffel, beste Taljaard !!!

    Like

  2. janchik zegt:

    Prachtig geschreven realistisch verhaal uit de tijd dat geluk heel gewoon was.

    Like

    • Geluk? De ene ellende volgt tot nu toe op de andere! Kán beschouwd worden als uit het leven gegrepen, hóeft niet direct. Mijn ouders leefden in dezelfde periode als hier beschreven: Jaren ’10 van de 20ste Eeuw-crisis-oorlog/verzet-wederopbouw. Speelde allemaal een béétje meer in de (klein)burgerij; verliep misschien daarom met iets minder schokken, dat weet ik niet. Maar ja, ik neem dan ook direct aan, dat er van hún levensloop moeilijker een spannend verhaal te maken zou zijn……
      Ik begin me waarachtig af te vragen, wat dáár uit zou komen, als ík dat ging proberen, op basis van wat ik weet. Wat zouden jullie daarvan zeggen, Mensen? “Hè ja, laat eens zien, wat daar uitkomt” of “Alsjeblieft niet: Op die manier komen de longreads met als thema de recente geschiedenis ons nog eens de strót uit?”(LOL!)
      http://depatriotten.weebly.com/

      Like

      • LOES zegt:

        Beste Theresa, ik zou het echt geweldig vinden om ook jouw verhalen te kunnen lezen,
        probeer het in elk geval, ik hou er van over die tijd te lezen.
        Mijn complimenten voor Taljaard, ik heb alle verhalen tot nu toe gelezen en vind ze prachtig, tussen alle stukje ,die ik hier altijd lees is dit weer eens wat anders en ik geniet er echt van ondanks dat het ook soms triest is .
        Ga beiden svp nog lang door met deze geweldige verhalen over de laatste wereldoorlog !

        Like

      • janchik zegt:

        Wat voor de één geluk is, hoeft dat nog niet voor een ander te zijn.
        Als je allemaal straatarm bent, maar dezelfde cultuur, gedachten en levenswijze met elkaar deelt, kan je op jouw manier toch gelukkig zijn.
        Het soort musketiersgevoel van ” Één voor allen en allen voor één” . Dit gevoel bleef bestaan tot de jaren 60.
        En wat hierna aan gevoel is gekomen, mag de naam gevoel niet eens dragen.
        Egoïsme, Narcisme, hebberigheid, gewelddadigheid, tweedeling etc.
        Ga eens een dagje stappen in mijn vroeger zo mooie en gelukkige Rotterdam Zuid.
        Dan zie je het hedendaagse ware gezicht van de overwegend islamitische Aboutaleb stad Rotterdam. En nee daar word ik niet blij noch gelukkig van.

        Like

  3. dutchess43 zegt:

    Ik hoop dat er nog meer komt Taljaard.

    Like

  4. alidas1 zegt:

    Taljaard.
    Zielig maar toch weer prachtig heb weer genoten.

    Like

  5. Goldie zegt:

    Mooi verhaal.

    Like

  6. Joannes den Hollander zegt:

    Een mooi verhaal. Ik lees ze graag, dus laat maar komen.

    Like

  7. Elena zegt:

    Prachtig verteld, rauw en tegelijk zo teder.
    Kortom zo puur.
    Chapeau Taljaard.

    Geliked door 1 persoon

  8. D. G. Neree zegt:

    Een familie-epos in twee blogposts. Mijn complimenten. Het ademt geschiedenis. In 1 ruk uitgelezen.

    Like

  9. Philippine zegt:

    PrimaDeLuxe Taljaard!

    Like

  10. kruisridder zegt:

    Prachtig. Puur Hollands. Ga zo door Tjaljaard.

    Like

  11. Subliem, wat bent U een goede schrijver heer Taljaard.My compliments
    It is a Tall Yard to write this good.
    Hendrik Algera uit Leeuwarden is nog een ver familie lid van mij en schreef vroeger(60 er jaren ook in het Friesch Dagblad.)He was a ARP senator

    Regards from Western Canada

    Geliked door 1 persoon

    • Taljaard zegt:

      @friesecanadees
      That’s right and he also wrote a truely magnificant book; ”Het Wonder van de XIXe Eeuw”. His brother Jelle was the head teacher at my primary school and he thaught me how to write.
      .
      In my book I mixed their first names and changed their last name a little, because their true name was Algra instead of ”Algera.”.
      Friesland has changed enormously over the last 50 years, and not for the better as you and I probably both know. But there are still some parishes overthere were you can hear sermons like the late and legendary reverend Johannes Zelle used to deliver, like Garyp and Walterswalde.

      Like

  12. Pingback: LONGREAD: Hij die terugkwam | E.J. Bron

  13. Jade zegt:

    Mooi verhaal, inderdaad jammer dat die
    Rooie Eppe toen niet verzopen is.

    Like

  14. Pingback: LONGREAD: De kleine wereld | E.J. Bron

  15. Pingback: LONGREAD: Wrijvingen | E.J. Bron

  16. ~Prachtig,kreeg soms natte oogies…zo mooi verhaald die ellende.Erg blij dat ik een nakomertje ben 1936,16 jaar later opgericht dan mijn enige zuster.Te jong om opgepakt te worden door de nazies.Alles zou anders gelopen zijn vermoedelijk,en zat ik nu niet onder mijn bananen boompjes.’t goat as ’t goat” zeggen ze in brabant.Mart Brasil.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s