LONGREAD: Het Rijke Roomse Leven van de katholieke Nederlandse kleinburgerij tussen 1880 en 1955 (deel 5)

Screenshot_96

(Door: Theresa Geissler)

Lees HIER deel 1 van de kroniek, HIER deel 2, HIER deel 3 en HIER deel 4 van de kroniek.

Werken en overleven tijdens en na de bezetting.

Na de geboorte van haar vijfde kind – vierde dochter – Carla in maart 1942 slaagde Cis Rupert, geboren Van der Wiel, er zowaar in een “zwangerschapspauze” van zo’n vier jaar in te lassen, zodat zus Leonie haar handen vrij had om eindelijk een ‘echte’ baan te accepteren; de eerste sinds het debacle in Amsterdam in 1938. Tevens haar eerste en enige kantoorbaan. Officieel was ze nu ‘typiste op het Landbouwhuis, afdeling voedselvoorziening, in Alkmaar. Kon Leonie dan typen? Niet echt, nee. Ze had er nooit een cursus in gevolgd. Voor zover ik weet, typte mijn moeder met twee vingers van elke hand, misschien rechts af en toe met drie. Maar blijkbaar werd dat voldoende geacht en bij nadere beschouwing valt wel te beredeneren, wat daar achter stak: Sinds het begin van de Bezetting in 1940 Stond het Landbouwhuis feitelijk ten dienste van het Derde Rijk, of directer, van het Nederlandse Rijkscommissariaat onder leiding van Arthur Seyss-Inquart, en daaraan wenste het betreffende ambtenaren-apparaat geen bijdrage van betekenis te leveren.

Vandaar waarschijnlijk dat men op dat kantoor stilzwijgend de strategie van het ‘lijntrekken’ was gaan volgen, onprofessionele krachten in dienst nam, zoals Leonie, en zich onuitgesproken meer bezighield met ondersteunende activiteiten voor het Verzet dan met de werkzaamheden waarvoor het ambtelijk orgaan eigenlijk bedoeld was. Werkstress als zodanig zou men bij de voedselvoorziening niet gauw oplopen; met anders soortige spanningen zou men af en toe des te meer te maken krijgen.

Mijn moeder werd opgenomen in een echt ‘meidenclubje’ van collega’s, waarvan in haar herinnering later nog enkele namen zouden blijven voortleven: Guur Schoonhoven – met wie ze in contact zou blijven en die trouwens later, in de jaren ’50, met haar gezin in dezelfde straat zou gaan wonen als Huub en Leonie. Bab van Eyck en Rie Deurloo, vijf jaar jonger dan mijn moeder, maar onmiskenbaar een “type.” Zij had op het kantoor algemeen de bijnaam “Dolly Dot”, naar ik begrepen heb een toenmalig bekend stripfiguurtje. Verder had de afdeling ook mannelijke werknemers, niet geheel toevallig bijna allemaal mannen die anders naar Duitsland hadden gemoeten. Onder hen bevond zich bijvoorbeeld een heuse baron: Baron van Bedum. Een jongeman, die er duidelijk totaal niet op was voorbereid ooit nog eens werk, van welke aard ook, te moeten verrichten, maar die nú voor het blok was gezet, wánt: anders Duitsland. Meestal zat hij zó pontificaal te lanterfanten achter zijn bureau dat het zelfs tegen de achtergrond van het systematisch in stand gehouden lijntrekkersbeleid negatief opviel. Dan gebeurde het wel eens, dat chef Ranzijn hem op schertsend-geaffecteerde toon kwam aanspreken: “Zàg, vriend, je bent dan wel baron, maar zou je ook niet eens een keer wat uitvoeren?” Waarop van Bedum meestal met een hartgrondige zucht zijn rug rechtte en tussen zijn tanden iets mompelde dat nog het meeste leek op: “Dat verdómd rótwàrk….” Voor Dolly Dot was dat dan het startsein om hem pesterig een toentertijd algemeen bekend liedje toe te gaan sissen: “Mijnheer de Baron is niet thuis. Hij is nu al wekenlang van huis. Hij maakt een expeditie naar het Noordpool-ijs. Mijnheer de Baron is niet wijs.” Die laatste twee woorden opzettelijk in de plaats zettend van de oorspronkelijke twee: “op reis.” Meestal reageerde hij met een kernachtig “Dolly Dot, houd je smóel”, waarbij hij het klaarspeelde zelfs dat “smoel” geaffecteerd uit te spreken, maar vroeg haar dan onverwachts op andere ogenblikken voor een avondje uit, wat zij dan weer steevast afwimpelde met een verachtelijk: “Je zolen!” Haar instinctieve minachting voor dit slag mannen, dat zich overal boven voelde staan, droop ervan af, tegelijk met het leedvermaak over het feit dat dít exemplaar nu eens gedwongen werd het lot van het ‘voetvolk’ te delen: Wat dat betrof maakte de bezetter geen onderscheid en daarvan was Van Bedum het tastbare voorbeeld.

Was er op deze afdeling een gewapende verzetsgroep binnengevallen met het doel distributiebonnen of dossiers buit te maken, dan had de hele afdeling prompt vrijwillig de handen in de lucht gestoken, onder het zingen van het Wilhelmus, zoals men het in de film “Pastorale 1943” heeft kunnen zien, maar als dat al een keer voorgekomen is, heeft mijn moeder er niet over verteld. Wèl over een ander ‘bezoek’ aan het kantoor: In 1942 was de jonge verzetsman Bram Daalder opgepakt en afgevoerd naar Buchenwald en nu kwam de SS haar opwachting maken omdat ze – terecht – vermoedde, dat men op de afdeling bekend was met Daalder’s connecties. Waarschijnlijk voor de duidelijkheid hadden ze hiervoor voornamelijk Nederlandse ‘kameraden’ gestuurd, die de personeelsleden scherp ondervroegen, maar daarbij, wonder boven wonder, binnen de perken bleven: Geen “apart nemen”, geen mishandeling, ook niet van chef Ranzijn, die vermoedelijk heel wat had kunnen vertellen als ze het hadden kunnen afdwingen. Mijn moeder werd door één van hen zo’n 20 minuten lang aanhoudend ondervraagd, wat voor haar een benauwende ervaring geweest is, maar waarbij hij er niet in slaagde enig feit van betekenis van haar aan de weet te komen. Later kwam het haar op één of andere manier ter ore dat hij zich na afloop beklaagd had: “Er zat daar een zwarte griet, en die zát me toch te liegen….!” Maar kennelijk was het hem niet gelukt de vinger op de zere plek te leggen. (Néé, natúúrlijk werd zo’n houding in het Nederland van ná de oorlog nooit beloond of zelfs maar gememoréérd: Dat was gewoon je plícht, nietwaar; dan hadden ze wel aan de gang kunnen blijven.)

In 1940 waren de Van der Wielen met het enige nog thuis wonende kind, Leonie, verhuisd naar Heiloo. (Harry, intussen gemeentesecretaris in Obdam, was ondergedoken en zat in het Verzet en Adriaan was, tussen haakjes, in ’36 ook al getrouwd met een meisje, genaamd Jeanne Snel uit Wognum en aldaar geïnstalleerd als gemeentearchitect.) Dat was gunstig voor Leonie’s baan op het Landbouwhuis: Van Heiloo naar Alkmaar was het niet te ver fietsen. Meestal reed ze samen met haar collega en vriendin Guur Schoonhoven – van gereformeerde huize, maar het is dan ook typerend hoezeer in de loop van de bezetting dergelijke levensbeschouwelijke tegenstellingen waren vervaagd. Meestal stuitten ze ’s morgens op hun route op chef Ranzijn, die dan het laatste stuk met ze op reed. Op zo’n morgen kondigde hij aan: “Meiden, ik breng morgen iemand mee…..Het neusje van de zalm. Ik zal ‘m wel ‘ns extra voorstellen; wie weet is het wat voor één van jullie. Hij hield woord, door de volgende dag op hun vaste ontmoetingspunt, speciaal ervoor afgestapt, te wachten – in gezelschap van Huub van der Kaaij, die de dames begroette met een gracieuze handdruk en een lichte buiging, want het is zijn hele leven een gewoonte van mijn vader geweest om elke ontmoeting zo charmant mogelijk te beginnen – de kunst om het een heel huwelijk vol te houden viel hem zwaarder. Zodra iedereen weer was opgestapt teneinde de weg naar kantoor te vervolgen, de heren voorop, de dames daarachter, informeerde Guur gedempt: “Wat vind jij ervan…?”  “Niets bijzonders”, was het antwoord.

De eerste indruk was aldus niet denderend. Maar dat zou veranderen. Hoe, dat heb ik mijn moeder nooit met zoveel woorden gevraagd. Het is zeer goed mogelijk dat mijn vader van zijn kant wèl meteen onder de indruk was van háár: Mannen vallen nu eenmaal in eerste instantie op het uiterlijk en het zij reeds vermeld dat Leonie een 27 jaar jongere uitgave was van haar moeder, Fien, die tenslotte de aandacht van vader Jan om dezelfde reden getrokken had. Voor modieuze kleren had ze eigenlijk nooit geld gehad, maar ze maakte in die tijd nog veel zelf en ze had een goed figuur. En aan de kapper leek ze dan af en toe wel eens wat uit te geven, want op de paar foto’s van haar uit die tijd die ik ooit te zien kreeg – op één ervan staat de hele kantoorploeg , tenminste de vrouwelijke kunne, afgebeeld – staat ze onveranderlijk met de overbekende ‘coupe’ die toen in de mode was: krullen boven het voorhoofd en laag in de nek, strak naar achteren gekamd bij de slapen, zoals bijvoorbeeld ook filmactrices als Rita Hayworth hebben gedragen.

De beweegredenen van mijn vader, kortom, vallen niet moeilijk voor te stellen. Rest nog er achter te komen wat de reden was dat haar gevoelens voor hèm langzamerhand ten goede veranderden. Ze zag hem om te beginnen dagelijks op kantoor. Het kan dus zijn dat haar gaandeweg dingen opvielen die zij positief beoordeelde en die op het eerste gezicht niet in het oog gesprongen waren. Verder kan het bijna niet anders of ze heeft bewondering gehad voor zijn aandeel in het verzet – hoewel ze dat in later jaren, in een periode dat ze minder tevreden over hem – en trouwens ook over zijn famílie – was, nogal kon bagatelliseren, zoals ze op zulke momenten alles van hem bagatelliseerde. Maar dat kon dan ook wel aan haar stemming van het ogenblik toegeschreven worden. Echter, huwelijkse sleur is, zoals gezegd, iets van later jaren. Nú was alles nog volkomen nieuw en hádden ze elkaar nog niet, dus de wederzijdse gevoelens kregen alle gelegenheid om te groeien. Wat mijn moeder er ooit van verteld heeft, komt er op neer dat ze definitief uitgesproken werden toen hij haar, de dag na Sinterklaas 1943, een suikerhart cadeau gaf, vergezeld van een rijmpje, dat ik praktisch vergeten ben, maar waarin hij zich ‘uitsprak.’ Op mijn vraag of ze dan vanaf dat moment verloofd waren, volgde evenwel een ontkenning: “Nee, verloofd hebben we ons nooit.” Wat mijn moeder daar dan eigenlijk onder verstond, weet ik niet precies, want natuurlijk waren ze vanaf dat moment met het suikerhart wèl verloofd, zij het dan officieus. Ik denk dat ze zich bij het woord ‘verloofd’ automatisch blind staarde op alle uiterlijke kenmerken van een verloving onder normale omstandigheden in vredestijd, compleet met ringen, cadeaus en receptie, wat natuurlijk in die tijd van bezetting en toenemende schaarste steeds moeilijker te realiseren viel.

Thuis stonden ze trouwens ook al niet te juichen. Wat daar achter stak, men kon er alleen maar naar raden. Het is natuurlijk mogelijk dat vader Jan en moeder Fien intussen al ingecalculeerd hadden,dat deze laatst overgebleven dochter bij hen zou blijven wonen en tot hun dood voor hen zorgen, zoals toen nog volkomen normaal gevonden werd. Hoe het ook zij, ze wensten niet zomaar hun zegen te geven en voerden als argument aan dat ze niet alleen te weinig van hem, maar ook van zijn familie wisten. Hij was weliswaar katholiek, zoals zijzelf, maar wat zei dat helemaal? In een geval als dit diende men gedegen inlichtingen in te winnen en Fien wist ook wel wie ze daarvoor kon vragen: Eén van haar broers, Marius, woonde per slot van rekening in Rotterdam, waar hij orthopedist geworden was. Ze schreef hem een brief met het verzoek informatie te vragen bij de pastoor van de parochie, bij welke de familie Van der Kaaij in de Insulindestraat (er woonde ook nog een familietak in “Het Park” met als stamvader Koos, broer van Bertus) aangesloten was. Marius gaf gehoor aan het verzoek en kon reeds kort daarop een positief bericht terugsturen: De betreffende pastoor had desgevraagd volmondig verklaard dat de familie Van der Kaaij uit keurige mensen bestond, waar niet dàt op te zeggen viel. Als hij voor één famlie zijn hand in het vuur kon steken, was het voor díe! En prima katholieken! Mocht Leonie echter gehoopt hebben dat haar ouders na het lezen van deze getuigenis hun twijfels wel zouden laten varen, dan kwam ze in eerste instantie andermaal bedrogen uit, want: “Die pastoor kan wel maar wat zeggen”, mopperde Fien, die mogelijk haar laatste strohalm met betrekking tot een qua verzorging verzekerde oude dag in rook zag opgaan.

Nu kan men met alles te ver gaan, en dat Fien, en ook Jan, voor wie het woord van de clerus, als het er op aankwam, hun hele leven wet was geweest, die in twijfelgevallen altijd de zijde van de religieuzen waren blijven kiezen en die daartoe zelfs vier jaar lang een uitgemergeld kind, ziek van heimwee, naar de nonnen hadden laten terugkeren, nú opeens doodeenvoudig durfden veronderstellen “dat zo’n pastoor wel maar wat kon zeggen”, louter om de laatst overgebleven dochter levenslang aan zich te binden, gíng te ver. Dat voelde zelfs Leonie, normaal gesproken de braafheid en inschikkelijkheid in persoon, steeds graag bereid om zich te gedragen zoals er van haar verwacht werd, aan. Terecht wenste ze geïrriteerd te weten: “Waarom vraagt U er dan naar?” Waarop haar moeder naar alle waarschijnlijkheid het antwoord schuldig gebleven is: Er wás doodgewoon geen antwoord. Tegenzin zonder concrete aanleiding houdt vrijwel nooit lang stand en ook hier zwakte het gaandeweg af. Er zijn zelfs aanwijzingen dat Leonie’s ouders zich steeds meer als schoonouders begonnen te gedragen en Huub als één van de hunnen begonnen te beschouwen, ook al zou het tot augustus ’46 duren eer het stel nog eens kon trouwen. Vooral hun bereidwilligheid om in ’44 Walter enige tijd in hun huis op te nemen, tot diens definitieve onderduikadres bij de Dikke Boer geregeld was, gold hier als een sprekend voorbeeld. Evenals het feit dat Fien na verloop van tijd ‘moederlijk’ over Huub begon te ‘bazen’. Zo confisqueerde ze nauwgezet alle flessen alcoholhoudende drank, die hij van tijd tot tijd wel via het verzet toegeschoven kreeg, met de woorden: “Geef hier: Die bewaren we voor jullie bruiloft”, iets waarbij mijn vader niet al te erg tegenstribbelde, omdat hij de zin er wel van inzag. Inderdaad was er, toen het op 22 augustus 1946 eindelijk zo ver was, beduidend meer drank voorradig dan bij het huwelijk van Harry, twee jaar later.

Nogal grappig vond ik het verhaal dat jaren geleden opdook, deze keer eens geen herinnering van één van mijn ouders, maar van een Brabantse nicht van mijn moeder, Elisabeth – meestal “Bieb” genoemd – van Vught. Of om precies te zijn: Rupert- van Vught, want na een groot deel van haar leven “overgeschoten” te zijn, werd ze ter gelegenheid van de zilveren bruiloft van Cis en Wence in 1958 succesvol gekoppeld aan Gerard, de enige broer van Wence, eigenaar van een nogal exclusieve meubelzaak in Purmerend. Die twee zijn alles bij elkaar nog zo’n 25 jaar redelijk gelukkig met elkaar geweest, tot Gerard getroffen werd door een beroerte, maar in 1944 was ze nog schutterig, verlegen en bovenal ledig. Tijdens de bezetting pleegde ze oom Jan en tante Fien nog wel eens in Heiloo te bezoeken en, zou ze later verklaren, ze had het toen ooit zo bijzonder gevonden dat Tante Fien op een avond zo losjesweg had gezegd: “Nou, Bieb, wij moesten alvast maar naar bed gaan, want Huub en Leonie zullen nog wel een potje willen vrijen.” Nog steeds klonken verbazing èn, ergens, bewondering door in haar stem, terwijl ze deze herinnering ophaalde. Mijn ouders konden het zich geen van beiden in eerste instantie als zodanig herinneren, maar gaven onmiddellijk toe dat het ergens wèl iets voor “Oma” was, zoals Fien, sinds de komst van de kleinkinderen, door twee generaties genoemd werd. “Dat was, omdat jij erbij was”, verzekerde mijn moeder, “Dan wilde Oma de vlotte vrouw uithangen.” Want Fien was in wezen helemáál niet zo ruimdenkend, al hadden jaren eerder in de Weere het fietsen, de Fil d’Ecosse kousen, het punthalsje en de Openbare H.B.S. voor haar oudste kinderen die indruk bij sommige kwezels wel gewekt. Het zij die kwezels overigens vergeven, want ook ík heb die strikte scheiding tussen uiterlijkheden en de angst voor “seks” (die mijn moeder tot in detail van haar had overgenomen) maar al te vaak tegenstrijdig en op z’n minst verwarrend gevonden en in mijn jonge(re) jaren vaak genoeg bij mezelf gedacht: “Fijn-gereformeerden bijvoorbeeld mogen dan misschien geen prettige mensen zijn, je weet wel, wat je er aan hèbt.” Fien zal er gewoon zeker van geweest zijn dat er, zelfs al gaf ze bij deze de gelegenheid tot “een potje vrijen”, zoals zij het dan noemde, helemaal niets beneden de gordel gebeurde; dat dit gewoon een uitgemaakte zaak was. En gelijk had ze, in ieder geval wat haar dochter betrof. Ook Huub, gelovige katholiek als hij was, schikte zich uiteindelijk in de onuitgesproken restrictie, maar dan wel met de gedachte in het achterhoofd om het allemaal dubbel en dwars in te gaan halen zodra het huwelijk eenmaal voltrokken zou zijn. Dat is een desillusie voor hem geworden, weet ik inmiddels, nog steeds het lot van véél zowel katholieke – als anders gelovige mannen van die generatie.

In januari ’45, toen de situatie ook in de Kop van Noord-Holland wat nijpender begon te worden, moest ook Leonie één keer op “hongertocht”, dat wilde zeggen: vanuit Heiloo per fiets, voorzien van ‘anti-plofbanden,’ richting West-Friesland, in een poging een voorraad eten te bemachtigen. Het was wel zó dat zij langzamerhand precies wist waar ze moest zijn; dat scheelde alweer iets, maar het bleef een lange, inspannende tocht, die bijna een hele dag in beslag nam. Op de terugweg – ze had inderdaad aardig wat weten te bemachtigen – sloeg het noodlot toe, doordat ze op een glad bruggetje een lelijke uitglijder maakte; kapotte knie en haar hele voorraad overal verspreid, natuurlijk. Net toen ze, ontredderd, weer probeerde óp te krabbelen, stopte er een op benzine rijdende transportwagen. Wehrmacht. Het portier ging open. Wat gebeurde er? Werd mijn moeder gemolesteerd? Opgepakt? Werden haar fiets en voorraad geconfisqueerd? Nee. De chauffeur en de bijrijder stapten uit. Ze vroegen, of ze konden helpen. Ze weigerde. Ze vroegen of ze een lift nodig had – dat dacht ze tenminste te verstaan. Ze schudde het hoofd. Tóch staken ze daarop zwijgend een helpende hand toe: Ze hielpen haar de voorraad weer bij elkaar te zoeken en extra stevig weer op de fiets vast te sjorren. Ze checkten of de fiets nog te berijden viel. Vervolgens stapten ze weer in de transportwagen en reden weg, zwijgend, begrijpend en naar het scheen met iets van medegevoel. Dat was verwarrend, zou ze later bekennen. Natuurlijk wogen de laatste loodjes, oftewel de laatste paar kilometers naar huis, het zwaarst. Eindelijk gearriveerd, werd Leonie opgevangen door een toch wel bezorgde Fien, die zo goed en zo kwaad als het ging de gewonde knie begon te redderen, terwijl vader Jan zijn aandacht richtte op wat zijn dochter had weten te vergaren. Zijn eerste commentaar: “Edde gin vlieës meegebracht?” Typisch commentaar van iemand die het zelf niet had hoeven halen. Het schijnt dat moeder Fien op dat moment toch wel even hartig uitgevallen is: “Schei toch uit, Gij! Ziede niet, hoe z’ er uitziet?!” En zelf zou ik, decennia later, bij het horen van dit verhaal half gekscherend informeren: “En wat zei jij toen? ‘Nou, ouwe man, dan ga je een volgende keer maar zèlf?”‘ Mijn moeder ontkende. Nee, dat haalde je toen niet in je hóófd om zoiets te zeggen.

Goed, op 5 mei 1945 was het dan zo ver: Heel Nederland was bevrijd – en stond op z’n kop, wekenlang! Alle dagen feest, zogezegd, iedereen leefde in een roes en uitgerekend de figuren die de hele oorlog geen vinger hadden durven uitsteken, zagen hun kans schoon! Landverraders arresteren, ha! Alleen jammer dat, door toedoen van dat soort lieden die amper wisten waar ze mee bezig waren, bijvoorbeeld óók leden van de N(ederlandse) S(chaak) B(ond) werden gearresteerd, op grond van het feit dat die afkorting in hun boekhouding werd aangetroffen. Of verzetsstrijders, die tijdens de bezetting op goede voet met de Duitsers hadden gestaan, teneinde belangrijke informatie te vergaren, dát werk. Om over het lot van de al dan niet vermeende “Moffenmeiden” maar te zwijgen. Het mocht dan zijn dat die wat te verwijten viel, de BS’ers van het eerste uur, die ook echt in het verzet hadden gezeten, hadden zonder uitzondering door dat dit in de twintigste eeuw in elk geval niet op een dergelijke wijze diende te worden beslecht! Maar het lukte hen, zeker de eerste weken, niet dergelijke escalaties in de hand te houden. Dat was dan ook één van de redenen dat de meeste van die èchte BS ‘ers al snel, na het verrichten van de belangrijkste aanhoudingen, hun armbanden weer inleverden, zoals reeds opgemerkt in deel 4: Met deze gebeurtenissen, die helaas niet geheel en al konden worden verhinderd, wensten ze niets te maken te hebben; hun taak zat er, zogezegd, óp.

Overigens herinnerde mijn moeder zich later dat ze tijdens de vele bevrijdingsfeesten van die eerste maanden voor het eerst kennismaakte met een onverschillig trekje van haar aanstaande dat haar behoorlijk tegenviel: Ter gelegenheid van een militaire dansavond was het de bedoeling dat de aanwezige dames zouden aantreden, voorzien van een boeket bloemen, die hen door hun partner zou worden aangeboden, zodra hij haar afhaalde. Ook Leonie ontving een beeldig boeket, waarmee ze erg ingenomen was. Tijdens de avond zelf echter kwam er op een gegeven moment een soldaat naast haar staan, die belangstellend informeerde: “Juffrouw, heb ik ze goed uitgezocht?” En toen ze de vraag niet direct begreep: “Ja, de Opper zei: ´Ik heb geen tijd om zelf bloemen te kopen voor mijn meisje, doe jij het even´.” De eerste domper. Er zouden er door de jaren heen nog vele volgen.

Zodra de eerste gekte was geluwd, moest begonnen worden met de wederopbouw, wat in eerste instantie betekende: Puinruimen. En de stelletjes, die zich tijdens de bezetting hadden verloofd en nu, na de bevrijding, wensten te trouwen? Het grootste obstakel was het vinden van woonruimte: Half Nederland lag in puin! Ook Leonie en Huub stonden voor dat probleem. Weliswaar was het een ‘basis’ dat Huub, zoals in deel 4 vermeld, als sergeant-majoor ingedeeld bij een administratieve afdeling in Amsterdam, zodra hij was getrouwd ingekwartierd kon worden bij zijn eigen echtgenote en in dat kader zelfs elke avond naar huis zou mogen, net als een ‘burgerlijke’ kantoorman, maar dan moest dat ‘huis’ er wel zijn. Het werd uiteindelijk de “oplossing” die veel stellen in die periode voor lief namen, louter omdat het alternatief was: Niet trouwen. Daarbij, wat men zich tegenwoordig niet altijd realiseert: in katholieke kring was het in die tijd nog steeds regel – en niet eens een ongeschreven regel – dat verloofde stellen niet alleen nog niet leefden als man en vrouw, maar zelfs “beter niet onder één dák konden slapen”, ook al was het bijvoorbeeld in aparte kamers! Ook Huub had om die reden gedurende hun hele verkeringstijd elke avond weer bijtijds terug gemoeten naar zijn kosthuis bij chef Ranzijn. En misschien nog het allersterkste: deze restrictie gold onverkort, zolang het Kerkelijk huwelijk niet gesloten was, ook al was men, om welke reden dan ook, inmiddels wèl búrgerlijk gehuwd! Wat ook regelmatig voorkwam, was uiteraard dat een stel trouwde en dan voorlopig bij de (schoon)ouders in ging wonen, maar het behoeft geen betoog dat dit niet bepaald een ideale start genoemd kon worden.

Deze “oplossing” was dat trouwens evenmin: het kwam neer op “inwoning”. Op het Scharlo in Alkmaar. In twee kleine kamers in de bovenwoning van een ouder stel, de Hartoghs. Met gebruik van keuken en sanitair. Bezoek ’s avonds mocht dan nog nèt (de Hartoghs namen tenslotte alleen ‘getrouwde’ mensen in huis, maar om bij het toilet te komen moest men door de slaapkamer van de hoofdbewoners, zodat dat bezoek vóór tienen ’s avonds gewaarschuwd moest worden: “Als jullie nog moeten, ga dan nú even.” Nee, ideaal was het allesbehalve en in deze tijd zouden zulke woonomstandigheden het stempel ‘onaanvaardbaar’ gekregen hebben. Maar het valt in deze tijd dan ook helemáál niet meer voor te stellen wat men allemaal voor lief diende te nemen na vijf jaar oorlog. Het enige positieve aspect van het nieuw woonadres was dat het station letterlijk om de hoek lag. Dat was natuurlijk wel meegenomen in verband met mijn vaders dagelijkse reizen naar Amsterdam en terug. Ach ja, tel uw zegeningen…..

Eindelijk, de 22ste augustus 1946, werd er tenslotte getrouwd. Het was, zeker voor díe periode, een mooie bruiloft, waar eigenlijk weinig aan ontbrak: zo had mijn moeder zowaar een heuse trouwjapon van ivoorkleurige satinette, in die naoorlogse tijd geen vanzelfsprekendheid, en was er, zoals eerder vermeld door Fiens’ strikte verzamelbeleid, die dag meer dan genoeg te drinken. Het bruidspaar werd vanaf Heiloo met een heel cordon van militaire jeeps naar stadhuis, kerk èn fotograaf gereden – bij welke gelegenheid de vrouw van de fotograaf, die nogal militaristisch ingesteld was, enthousiast haar echtgenoot geïnstrueerd schijnt te hebben: “Die jongens moeten er àllemaal op!” Van het verdere verloop van de bruiloft weet ik niet veel, maar men kan zich voorstellen dat de aanwezigheid van Huub’s dienst-makkers er wel een vrolijk tintje aan gegeven zal hebben. En tja…..Twee dagen na de bruiloft nam het gewone, naoorlogse leven vol schaarste weer een aanvang. Huub vertrok iedere ochtend met de trein naar Amsterdam en keerde meestal ’s avonds tegen achten weer huiswaarts. En Leonie? Wel, die vertrok twee weken na haar huwelijk overdag weer regelmatig naar de Lyceumstraat: Cis was inmiddels zwanger van haar zesde kind……

(Wordt vervolgd)

Door:
Theresa Geissler
(voor www.ejbron.wordpress.com)

Over E.J. Bron

www.ejbron.wordpress.com
Dit bericht werd geplaatst in Historie. Bookmark de permalink .

4 reacties op LONGREAD: Het Rijke Roomse Leven van de katholieke Nederlandse kleinburgerij tussen 1880 en 1955 (deel 5)

  1. Taljaard zegt:

    Toilet-faciliteiten.
    Tot diep in de jaren `60 hadden wij gewoon een pleeton, waar alleen moeder op mocht plassen.
    Dit i.v.b. met plumpen en spatten. Voor de nachten werd er ook heel gewoon een pispot onder het bed gezet. Eens in de twee weken werd deze ton geledigd op de mesthoop en met een paar emmers regenwater uit de tras uitgespoeld. Omdat het nogal kon stinken was het privaat bij ons niet in huis maar in het fietsenschuurtje ondergebracht.
    Later legde men van gemeentewege doortrek WC-s in de huizen aan, met in het zelfde vertrek een douche. Hiermee werd het stankprobleem alleen maar verplaatst, omdat men de afvoer domweg in de sloot liet lopen, zodat dit slootje binnen de kortste keren een walgelijk open riool werd wat op warme zomerdagen stonk als een oordeel. Het werd zo erg dat veel mensen in de buurt maar weer terugvielen op het oude systeem en alleen de douche gebruikten.
    Bij ons thuis in elk geval wel..
    Pas veel later, toen ook het rampzalig slechte klinkerweggetje werd aangepakt, kreeg onze buurt aansluiting op zowel het riool als op het aardgas. Dat was nadat wij met de hele buurt twee praalwagens hadden gemaakt voor de optocht van het 25-jarig bevrijdingsfeest in 1970, waarop wij onze grieven kenbaar maakten over zowel deze slechte weg als het open riool.
    De ene wagen had als thema ”Stank voor dank.” en de andere ”Nog te slecht voor de trekker..”

    Like

  2. Pingback: LONGREAD: Het Rijke Roomse Leven van de katholieke Nederlandse kleinburgerij tussen 1880 en 1955 (slot) | E.J. Bron

  3. Pingback: In hetzelfde schuitje… | E.J. Bron

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s