Heer Ollie en de Holpijper

Screenshot_50

(Door: “Taljaard”)

Op een zonnige namiddag hoorde Heer Ollie’s trouwe bediende Joost de bel van de leveranciersingang van Slot Bommelstein. Daar het donderdag was, veronderstelde hij dat dit kruidenier Grootgrut moest zijn, die op deze dag zijn vaste ronde deed. En dit bleek bij het opendoen inderdaad het geval te zijn. Grootgrut gedroeg zich echter geheel anders dan Joost van gewend was. ”Zo, stofafnemer van een rijke niksnut, die nergens anders voor deugt dan mijn grutsprits op te vreten”, zo sprak hij tot de allengs steeds verbaasder wordende Joost, ”het maakt mij allemaal niks meer uit, hoor je? Ik ben als kleine middenstander jarenlang de dupe geweest, maar nu kan iedereen alles gratis van mij krijgen, want mijn omzet doet er helemaal niet meer toe.” Vervolgens overhandigde hij Joost een mand met kruidenierswaren met de woorden; ”Hier huisknechtje. En ik hoop dat jullie erin stikken.”

”Met uw welnemen, heer Grootgrut”, zo sprak Joost verbouwereerd, ”u schijnt mij nogal uit uw gewone doen, als ik zo vrij mag zijn. Mag ik u vragen naar de redenen van uw bepaald atypische gedrag?” ”Je mag mij alles vragen, kletsmeier”, antwoordde de kruidenier. ”Maar of jij antwoord krijgt, is vers twee. Want wat maakt het uit dat ik jou wijzer zou maken? We hebben het zelf al moeilijk genoeg en de rest doet er niet toe. Niks doet er meer toe. Ik ga nu naar die opgeblazen heggenknipper Canteclear, die altijd openstaande facturen en achterstallige betalingen heeft. Maar ook daar ga ik mij niet meer druk over maken. Want alles is gelijk en niets doet er meer toe.” Hij draaide een verblufte Joost abrupt de rug toe en verwijderde zich. De trouwe bediende achtte het raadzaam om een schriftelijke inventaris op te maken van de kosteloos door Grootgrut geleverde goederen, temeer omdat het hem niet integer leek om van diens duidelijk verwarde huidige geestestoestand te profiteren. Het scheen hem allemaal zeer betreurenswaardig en later zou hij Heer Ollie hier wel over inlichten.

Onderwijl maakte deze, vergezeld door zijn jonge vriend Tom Poes, een zomerwandeling langs de rand van het woud. Plots dook de gedrongen gestalte van Kwetal voor hun ogen op uit het donkere struweel. Hij keek het tweetal indringend aan en sprak hen vermanend en waarschuwend toe: ”Hoor niet om. Hoor niet om”, zo zei hij, ”want Pechkolt de Holpijper waart rond. En overal waar hij zijn lamme melodieën pijpt, gaat elk denkraam naar de verturving.” ”Heer Kwetal”, zo reageerde Heer Ollie geschrokken,”als heer van stand met een teer gestel zou ik het waarderen als u eens zou willen breken met de gewoonte om telkens weer zo schielijk op te duiken. Zeg nu zelf, dat is toch een aanslag op iemands zenuwen.” ”Je kunt ipsen wat je wilt”, antwoordde de dwerg. ”Daar ga ik mij niet om verpoppen. Maar ik zeg jelui; wacht je voor Pechkolt, wacht je voor de Holpijper. Het miezerige mannetje.” En zo plots als Kwetal was verschenen, zo verdween hij ook weer.

”Hm”, zei Tom Poes nadenkend. ”Ik weet niet precies wat Kwetal bedoelde, Heer Ollie. Maar hij komt nooit zomaar ergens voor waarschuwen. Hier zou nog wel eens ellende van kunnen komen. Wij kunnen daarom maar beter op onze hoede zijn.” Ze besloten om te keren en zich in de richting van Bommelstein te begeven. In het gouden licht van de late namiddagzon ontwaarden zij een onberispelijk geklede kaarsrechte gestalte, die hen op glimmend gepoetste schoenen tegemoet liep. Zijn uiterlijke voorkomen was zonder meer keurig te noemen. In zijn bleke gladgeschoren gezicht stonden echter een paar grote schelvisogen met een verontrustend lege uitdrukking. ”Goedemiddag heren”, zo begroette hij Heer Ollie en Tom Poes met een geaffecteerd stemgeluid, dat zelfs de elitaire spreekwijze van Markies de Canteclaer nog in de schaduw leek te stellen. ”Mag ik mij aan u voorstellen? Mijn naam is Pechkolt; hoogst intellectueel historicus der schone kunsten en voormalig op meesterlijke wijze veiler van antiek. Thans echter ambulant musicus, met het oogmerk om aan allen mijn hoge innerlijke leven mede te delen middels het spelen van eigen composities. Staat u mij toe u een proeve van mijn werk voor u ten gehore te brengen.” Zonder op een antwoord te wachten, haalde hij een blinkende dwarsfluit te voorschijn en zette het vlekkeloos gepoetste instrument aan zijn vale lippen. Tom Poes herinnerde zich opeens de waarschuwing van Kwetal en stopte zijn oren toe, maar Heer Ollie verzuimde dit.

De meest afschuwelijk valse fluitmuziek die Heer Ollie ooit had gehoord, weerklonk langs de bosrand. Maar na verloop van slechts enkele ogenblikken kwam het hem voor dat dit schrille gepijp steeds mooier werd. Tenslotte werd hij er geheel door gegrepen en gefascineerd en vertoonden zijn ogen een net zo lege en glazige uitdrukking als die van de Holpijper. Hoewel er slechts enige sporadische tonen van het valse gepijp tot de gevoelige kattenoren van Tom Poes doordrongen, kreeg hij het gevoel alsof hij innerlijk werd leeg gezogen. Hij slaagde er echter door pure wilskracht in zich hier uit alle macht tegen te verzetten. Na een minuut of vijf hield de Holpijper eindelijk op en kwam er een eind aan deze kwelling. Hij bezag Heer Ollie met een voldane glimlach op zijn nu ietwat minder vale gezicht en met een tevreden, doch boosaardige blik in zijn voorheen lege vissenogen. ”U hebt mij gehoord en u bent nu deelgenoot geworden van mijn innerlijke leven”, zo sprak de Holpijper tot Heer Ollie. Daarna wees hij hem op Tom Poes en zei misprijzend; ”Uw metgezel heeft zich echter doof willen houden. Daaruit blijkt een gesloten houding ten opzichte van het nieuwe en het zich willen vasthouden aan het achterhaalde en het voorbije. Hij heeft zich afgesloten voor de toekomst. Want hij is een vooruitgangsverliezer; een bekrompen, kleingeestige reactionaire autist, die niet over de dijken heen kan kijken. Ik raad u aan, meneer, om u voortaan verre van hem te houden. En uitsluitend samen te gaan met mij en allen die mijn toekomstgerichte innerlijkheid hebben ontvangen, waarbinnen alles gelijkvormig zal zijn en niets er verder meer toe doet, omdat alles relatief is en alleen de kernbegrippen ‘open’ en ‘samen’ er nog toe mogen doen. Opdat iedereen zich in een voltooid leven aan mij alleen zal onderwerpen. Tot ziens meneer.” De Holpijper knikte Heer Ollie veelbetekenend toe, waarna hij zich met rappe schreden en nog steeds kaarsrecht verwijderde; Tom Poes verder negerend.

”Voelt u zich wel goed, Heer Ollie?”, vroeg Tom Poes bezorgd. ”Goed, goed, jonge vriend?”, antwoordde deze afwezig en verward. ”Wat is dat? Wat is goed? En wat is kwaad? Is daar verschil tussen? Er is helemaal geen goed. En ook helemaal geen kwaad, als je begrijpt wat ik bedoel. Maar het is bij nader inzien niet nodig dat jij mij begrijpt, want ik ben geen verantwoording aan jou schuldig. Ik ben aan niemand verantwoording schuldig, behalve dan aan mijn meester Pechkolt, die mij gezegd heeft jouw gezelschap voortaan te mijden. Want jij hebt je willens en wetens afgesloten voor zijn en ons aller toekomst, waarin alles nieuw zal zijn, omdat niets er meer toe doet.” Zijn aanvankelijke afwezige verwardheid maakte plaats voor afkeer en woede jegens zijn metgezel. ”Ga weg, autistische, conservatieve vooruitgangsverliezer!”, zo raasde hij, ”kwaadwillige, bekrompen nationalistische verwerper van het nieuwe! Uit mijn ogen! En kom pas weer terug wanneer jij je ook aan meester Pechkolt en zijn nieuwe inclusieve toekomst hebt onderworpen. Onze vriendschap is wat mij betreft net zo voltooid als mijn leven. En ik wil niets meer met jou te maken hebben.” Het werd Tom Poes duidelijk dat zijn vriend door de muziek van de Holpijper met een kwade genius was bezeten, die minstens zo diep was als die van de Jakker Jekker van Hocus Pas, waaraan hij zelf eens ten prooi was gevallen. Hij hoopte dat Heer Ollie de weg naar Bommelstein nog wel zou weten en dat Joost hem daar enigszins tot bedaren zou weten te brengen.

Tom Poes spoedde zich naar Rommeldam om de autoriteiten aldaar in te lichten over het grote gevaar dat de Holpijper vertegenwoordigde. Commissaris Bulle Bas was hiervoor de aangewezen persoon en een half uur later liep hij gejaagd en hijgend het politiebureau binnen. Hij klopte op de deur van het kantoor van de commissaris. ”Donders, wat nu te beginnen?”, zo hoorde hij een barse stem. ”Of je nu binnen komt, of buiten blijft staan maakt niks uit.”, was de volgende reactie op dit kloppen. ”Want niks doet er meer toe. Maar wanneer ze hier op de deur van mijn bureau gaan rammen, is dat voor mij, als handhaver der wet, een teken dat zo eentje zich nog niet aan de nieuwe toekomst van meester Pechkolt heeft onderworpen.” Tom Poes wist toen dat de Holpijper hem voor was geweest en ook reeds in het politiebureau had toegeslagen. Hij was dus te laat. De deur van het kantoor werd opengetrokken en Bulle Bas zag Tom Poes afkeurend aan. ”Altijd de zelfde”, zo blafte hij. ”Brigadier Snuf; sla dit subversieve element in de boeien. Straks zullen wij hem wel ondervragen. En wat hij dan te zeggen heeft, zullen we eens netjes opschrijven, zodat we dat later tegen hem kunnen gebruiken.” Snuf deed wat zijn superieur hem opdroeg. Maar toen hij Tom Poes naar de cel geleidde, vroeg deze aan hem; ”Maakt het wel wat uit, of je mij nu opsluit of niet, Brigadier?” ”Nee, dat doet het niet”, antwoordde deze, ”maar commissaris Bas heeft het bevolen. En dat maakt alles uit.” ”Waarom dan?”, vroeg Tom Poes daarop. ”Omdat commissaris Bas het gezag is”, was het antwoord. ”Dat is zo, Brigadier”, bracht Tom Poes in. ”Maar wanneer niks er meer toe doet, dan doen de wet en het gezag er toch ook niks meer toe?” Er verscheen een diepe denkrimpel op het voorhoofd van Brigadier Snuf. ”Tja, dan heb ik geen permissie om jou op te sluiten”, zei hij na lang nadenken. ”Want dan maakt het niks uit wat de commissaris zegt. En ook niet of wij jou nu moeten opsluiten of niet. Je kunt gaan.” Zo snel als zijn voeten hem konden dragen, rende Tom Poes het politiebureau uit. Op het plein zag hij Burgemeester Dickerdack lopen, zonder ambtsketen en in ondergoed. ”Alles en iedereen is gelijk aan alles en iedereen!”, zie hij luidop en vrolijk. ”Niets doet er meer toe en elk beginsel en alle normen staan de toekomst alleen maar in de weg. Wij moeten ons allen laten gezeggen door meester Pechkolt. Iedereen is van de wereld, en de wereld is van iedereen. Dan zal het leven voltooid zijn.”

Tom Poes werd toegewenkt door een zich in een donkere steeg verborgen houdende professor Priwytzkofski, wiens oren waren afgedekt met wat een paar oorwarmers leken te zijn. Hij spoedde zich daarheen. ”Praw, der Himmeldonnerweder”, zo sprak de geleerde hoogst bezorgd.  ”Pechkolt der Hollpfeiffer is op Pfad. Hij maakt alles relativ. Want all wie hem und zijn Schickelmuziek aanhoort, wordt leergezogen van elk beginsel en alle Einhalt waar hij zich selbst mee voedert wie ein Vampir. Und daarom will hij die ganse Welt aan hem unterwerfen. Hoogst gevaarlich. Um himmelswillen, hier scherm dein oren ab met mijn Schalldemper.” En hij overhandigde Tom Poes ook een paar oorbeschermers. Aldus uitgerust en beschermd tegen de verderfelijke invloed van de Holpijper zochten zij daarna de avondlijke straten van Rommeldam af. De stad verkeerde in een staat van chaos. Hier en daar zagen zij verbazende, maar ook zorgwekkende taferelen van burgers die zich niets meer van hun omgeving en van anderen aantrokken en nergens meer verantwoordelijk voor schenen te willen zijn. Op de hoge stoep van het stadhuis, dat uitzicht bood op het centrale plein, zagen zij de Holpijper zitten. Met een innig vergenoegde blik in zijn schelvisogen en een triomfantelijke, en tevens boosaardige, uitdrukking op zijn vaalbleke gezicht bespeelde hij zijn dwarsfluit.

Professor Priwytzkofski posteerde zich onbevreesd in zijn blikveld. ”Praw, jij Bestie, jij Teufel”, zo schold hij. ”Mien geliebde Vaterland heb jij all verpfest. Doch hier zull jij niet schlagen Verwijder jouself, bei de rechtvaardigkeit der rechtvaardigen.” ”Ik ken u niet, meneer”, zei de Holpijper op arrogante toon. ”Maar aan uw tenenkrommende accent te horen komt u uit het Oostland, dat ik een kleine 70 jaar geleden aan mijn inclusieve en toekomstgerichte beginselen mocht onderwerpen. Dat verschafte mij destijds een zeer groot en innig genoegen. En het ziet ernaar uit dat ik er reeds in geslaagd ben om ook dit oord al geheel en al te domineren. Uw conservatieve pogingen om mij daarin te belemmeren, zijn derhalve niet alleen achterhaald door de tijd, maar ook nog eens deerniswekkend futiel. De honden blaffen, maar de karavaan trekt verder. De toekomst is niet meer te stoppen en de vooruitgang kan niet meer ongedaan worden gemaakt, want zij is reeds een voldongen feit.”

Terwijl de aandacht van de Holpijper door de professor in beslag werd genomen, was Tom Poes hem echter terzijde onopgemerkt en sluipend genaderd. En zoals hij eens met zijn bliksemsnelle katachtige reflexen een fakkel uit de hand van een Deugdrammer had gegrist, zo deed hij nu hetzelfde met de dwarsfluit van de Holpijper. Hij brak deze daarop over zijn knie in twee stukken. De Holpijper stond als door de bliksem getroffen op. Zijn schelvisogen kregen een uitdrukking van abjecte verbijstering en wanhoop en zijn vale gezicht werd asgrauw en voor het eerst was zijn houding gebogen. ”’M, mijn formatie”, zo stamelde hij, ”jij hebt mijn formatie belemmerd. Oh, de toekomst, de toekomst; de toekomst van open, de toekomst van samen, de toekomst van de vooruitgang en de gelijkheid en de diverse inclusiviteit. Moge Allah je straffen! Moge Allah je straffen!” Tot hun walging en afschuw zagen professor Priwytskofski en Tom Poes hoe de gestalte van de Holpijper voor hun ogen in elkaar zakte en veranderde in een blubberende, uitermate onwelriekende hoop bruine excrementen in een grijs maatpak, met een wit overhemd, een zijden das en glimmend gepoetste schoenen. Nadien bleek niemand die door het gepijp van Pechkolt de Holpijper was bevangen zich er nog iets van te kunnen herinneren. En ook de herinnering aan de Holpijper zelf was geheel onder hen verdwenen.

Ook bij Heer Ollie, die door Joost bij thuiskomst met een sterke dosis valeriaan in bed was gestopt, alsmede bij kruidenier Grootgrut, die door de trouwe bediende middels een lijst werd herinnerd aan door hem geleverde en nog niet betaalde waren. Een daad, die deze hardwerkende middenstander zeer kon waarderen. Tom Poes liet het verder maar zo.

Door:
“Taljaard”
(voor www.ejbron.wordpress.com)

Over E.J. Bron

www.ejbron.wordpress.com
Dit bericht werd geplaatst in humor, Satire. Bookmark de permalink .

19 reacties op Heer Ollie en de Holpijper

  1. leefbarbaar zegt:

    Doddeltje?
    Heel veel maanblaffers tegenwoordig, dat dan weer wel; de NPO en de blaffers, die er naar kijken.

    Like

  2. Theresa Geissler zegt:

    HAHAHAHAHAHA! Hulde Taljaard!
    Je hebt jezelf nu al in dit voor jou nieuwe pastiche-genre overtroffen en ik dènk, te weten, waar je de inspiratie vandaan hebt!
    Want: Hóe denk je het te gaan aanleggen om je neef Alexander dit schoons onder ogen te laten krijgen?
    Dat is een must: Degene die model heeft gestaan voor Pechkolt de Holpijper mag dit schoons onder geen enkel beding worden onthouden!

    Liked by 3 people

    • Taljaard zegt:

      @Trees
      Hij haat mij, omdat ik werkelijk alles vertegenwoordig wat hij haat.
      Wellicht teveel eer, maar mogelijk is zijn opstelling zelfs een gevolg van deze haat.
      De laatste maal dat ik hem sprak was op een familie-reunie AD 2006, waar hij een Yamaha vleugel in de lobby van het hotel aan het verkrachten was.
      ”Mag ik even, Alex?”
      Met zichtbare tegenzin stond hij op, waarna ik een zo mooi mogelijke uitvoering van Finlandia (Be still my soul) te berde bracht op een echt schitterend instrument.
      Geen concertniveau hoor. Verre van dat, want mijn specialiteit is het kerkorgel.
      En dat ook nog als amateur.
      Maar nog altijd beter dan hij..
      Alweer een reden voor hem om mij te haten.
      Verder al heel lang geen contact meer.
      Hij heeft mij jaren geleden al geblokt op FB, twitteren doe ik niet en zijn e mail adres weet ik niet. Maar misschien leest hij dit nog wel eens.

      “Bertus Kleingeest” uit ”Bertus Exclusus”, wat hier eens heb geschreven, heeft dat in elk geval wel gelezen. Weet dat uit betrouwbare bron. Hij, echte naam prof. dr. Bert de Leede , scheen daarover witheet te zijn geworden., wat ik nogal vermakelijk vond.
      Hij weet mijn identiteit niet en hou dat ook liever zo.
      Hij heeft vijanden genoeg, dus daar zal het niet aan liggen.
      Maar heb een positie waarin het openbaar publiceren van bepaalde schrijfsels en meningen onder eigen naam mij in moeilijkheden brengt. Dit 8 jaar geleden moeten ondervinden en daar een hoop gezeur door gekregen.

      Dit was ook een reden waarom ik gestopt ben bij mijn late tienerjaren met het schrijven van longreads hier, waarop jij zo mooi reageerde door ook op een dergelijke manier te gaan schrijven.
      Niet dat ik niets vermeldenswaardig meer te vertellen had.
      Maar er is tussen 1980-1981 iets heel erg pijnlijks en verdrietigs gebeurd in mijn persoonlijke leven, wat ik niet zou kunnen hebben overgeslagen, maar toch ook niet zomaar aan Jan en Alleman op het internet wilde vertellen.
      Dat was de eerste reden.
      De tweede reden is dat bepaalde mensen mij zouden hebben herkend wanneer ik was doorgegaan. Mijn jongere broer ”Hannes” heeft ze ook gelezen, maar die vond het prachtig. ”Jij hebt va en moe en opoe weer tot leven gewekt en ze voor iedereen een gezicht en een karakter gegeven.” En dat was het mooiste compliment!

      Liked by 3 people

      • Tistochwat zegt:

        @ Taljaard 31 juli 2017 om 23:52

        Een echt etterbakje, dat verwende, arrogante neefje van u. Ik zou hem graag een schop onder zijn holpijp geven. En deze figuur leidt dan dat ‘keurige’ partijtje D66. Ik walg van dat soort volk. Het zijn de’ witgekalkte graven’ waarover Jezus sprak. Glad en schoon vanbuiten, maar rot vanbinnen.

        Like

  3. Cognitieve-Dissonant zegt:

    Heer Taljaard, in een woord geweldig. Maar met uw welnemen, dit is toch niet te koppelen aan ene pechdrol van demonen666 toch????? Er zit nogal een grote gelijkenis in de namen hahahahaha.

    Liked by 1 persoon

  4. Tistochwat zegt:

    Tijd voor De Wrokwerker.

    Like

    • Theresa Geissler zegt:

      Ah, De Wrokwerker met al zijn tovermiddeltjes, is het niet? Onder andere een middel, dat het nachthemd van Heer Ollie tot leven bracht, geloof ik.
      Vervolgens werd die Wrokwerker ‘raadsheer’ van de ‘prins’, d.w.z. het zoontje van de hofmaarschalk Graaf van Kwispelstaert. De vader was daar eerst wel mee ingenomen omdat de ‘raadsheer’ het veel te ernstige kind tenminste liet lachen, maar het diende natuurlijk uiteindelijk allemaal geen deugdelijk doel.
      Aan het eind van het verhaal, als de Wrokwerker verdwenen is, -tot verdriet van de prins- is de jongen niettemin blij met de twee geschenken voor zijn verjaardag: De goedaardige draak, die Tom Poes en Heer Bommel voor hem hebben gevangen (hij wou altijd al zo graag een draak hebben) èn het levende nachthemd van Bommel.
      Flarden, flarden….

      Like

      • Tistochwat zegt:

        Zonder de verhalen van Heer Bommel vond ik het weekblad Donald Duck lang niet zo aantrekkelijk meer. Mijn eerste exemplaar was nummer 20 van 1960 en ik wist niet beter of Bommel hoorde erbij.
        In de jaren ’70 vond ik de Donald Duck zelfs gewoon slecht, er zat kraak noch smaak aan.
        In de jaren ’80 werden de Duckstadverhalen weer fleuriger, meer Carl Barks-achtiger.
        Dat heb ik destijds ook tegen de toenmalige art director, Ed van Schuijlenburg, gezegd, die ik op een beurs (ik weet niet eens meer ter gelegenheid waarvan) ontmoette. Hij heeft me toen verzekerd dat hij ervoor zou zorgen dat dit ook zo zou blijven, zolang hij het voor het zeggen had. Hij maakte voor de lol ter plekke een tekening van Donald met een tekstballon die hij voorzag van een tekst die op mij sloeg. Die heb ik helaas ook weggegeven. Soms doet een mens dingen waarvan hij/zij later veel spijt krijgt.

        Ach, waar is de tijd gebleven, dat ik contacten had met dergelijke kunstenaars…
        Toen het leven nog leuk was. Zonder holpijper en andere verwerpelijke figuren.

        Like

      • Theresa Geissler zegt:

        Wie jij niet allemaal ontmoet hebt…..
        Bitter, om je te realiseren, dat het voor mij met zoveel dingen waarschijnlijk te laat is -al zou ik me nog zó graag willen overtuigen van het tegendeel.

        Like

      • Tistochwat zegt:

        @ Theresa Geissler 1 augustus 2017 om 11:31

        Ach, Theresa, jij hebt het grootste talent dat iemand kan hebben: talent om te leven, talent om te blijven vechten.
        Dáár zou ik nu afgunstig op kunnen zijn.
        Voor mij is het voor sommige dingen echt (niet ‘waarschijnlijk’) veel te laat…

        Ik heb inderdaad boeiende mensen (ook van zeer dichtbij) gekend, maar dat was toen.
        Ik heb er alleen nog wat foto’s en brieven van.

        Like

  5. Ron zegt:

    Even een kleine correctie, de professor heet Prlwytzkofsky, waarschijnlijk uitspreken als:
    Prulwietskofskie.

    https://nl.m.wikipedia.org/wiki/Zbygniew_Prlwytzkofsky

    Like

  6. Ron zegt:

    Een heel goed verhaal over deze “rattevanger van Hamelen” waarin wij natuurlijk allemaal Pechdrol herkend hebben.

    Liked by 1 persoon

  7. Beschouwer zegt:

    Ja leuk en mooi verhaal. Dank je wel en leuk dit te lezen Taljaard

    Like

  8. Bob Fleumer zegt:

    Pechthold weet zelf niet wat een pechvogel hij is, hij zwemt in zijn eigen ziel en weet de weg niet.

    Liked by 1 persoon

  9. Wachteres zegt:

    Ik moet die verhalen toch maar eens weer lezen … Het is jaren geleden…

    Komt Timmermans ook nog op de proppen, @ Taljaard?

    Die kan ik echt niet uitstaan.

    Like

  10. Tistochwat zegt:

    ‘Parbleu,’ sprak de markies met geknepen mond, ‘het is een affront dat een platte figuur uit de heffe des volks de macht grijpt. Men ziet dat steeds vaker.’ Hij knipte met een verfijnd gebaar een storend takje uit zijn haag. ‘Deze parvenu dient een ferme tuchtiging te ontvangen,’ prevelde de edelman. Er verscheen een peinzende trek op zijn gelaat. ‘Wellicht kan ik mijn invloed aanwenden om deze gestoorde in een passende inrichting te doen plaatsen.’ Hij stiet een kakelend lachje uit en besloot om deze kwestie binnenkort te gaan bespreken in de Kleine Club.

    Like

  11. willz zegt:

    Hr. Taljaard,

    Met Uw welnemen, ‘k heb bijzonder van Uw schrijven genoten, het geprint en bij mijn verzameling pockets van Hr. Ollie in de boekenkast gezet.
    Gij hebt, zoals mijn goede vader zei, een groot denkraam, waarde Hr.
    De Pechkolt is volledig verraamd en totaal in de min.
    Zoals het “Goede Boek” vermeldt zijn de valse kolt en de zijnen gelijk addergebroed.
    Dat geeft te denken.
    Vriendelijke groet, willz

    Like

  12. Republikein zegt:

    Zeer gewaardeerd, dank.

    Like

  13. H J zegt:

    Kan me helemaal aansluiten. Geniaal verhaal.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s