Zelfs de mensen in de Steentijd wilden geen communisme

Screenshot_105

(Door: Allan Gindler – Vertaling: E.J. Bron)

De herleving van socialistische ideeën in het begin van de 21e eeuw is een evident fenomeen, dat delen van de westelijke bevolking heeft gegrepen. Socialisten hebben verschillende “bewijzen” verzameld, die de vermeende voordelen evenals de natuurlijkheid, die inherent is aan de collectivistische manier van leven, bewijzen. Er bestaat een denkrichting die er van uitgaat dat de mensheid gedurende de langste tijd van haar geschiedenis onder een veelomvattend soort collectivisme heeft geleefd en dat daarom het socialisme een natuurlijke levenswijze binnen de menselijke gemeenschap zou zijn, terwijl andere sociaaleconomische formaties, vooral het kapitalisme, noodzakelijke, maar ongunstige wendingen in het evolutionaire proces vormen.

Die Unbestechlichen

Zulke ideeën zijn niet nieuw, maar kunnen tot de grondleggers van het wetenschappelijk communisme, Karl Marx en Friedrich Engels, nagespoord worden. De uitvinders van het Marxisme noemen de sociaaleconomische orde van de jagers en verzamelaars “primitief communisme”. Zo schrijft Engels in zijn beroemde werk “De oorsprong van de familie, het privé-eigendom en de staat”:

De productie op alle voormalige maatschappelijke niveaus was substantieel een gemeenschappelijke, net zoals de consumptie onder rechtstreekse verdeling van de producten binnen grotere of kleinere communistische gemeenschappen in zijn werk ging.

Deze zienswijze heeft sindsdien opgang gemaakt onder de geleerden, werd diep in de wetenschappelijke literatuur verankerd en in schoolboeken vastgelegd.

Volgens een wet van het dialectisch materialisme (“De wet van de ontkenning van de ontkenning”) stellen de Marxisten zich het historische proces voor als een spiraal, waarvan de beweging weer naar haar oorsprong terugkeert, echter op een hoger niveau. Met andere woorden, in de loop van de menselijke ontwikkeling ontkende het individualisme het collectivisme, slechts om op zijn beurt door het collectivisme ontkend te worden, maar op een hoger niveau. Verder zegt het Marxisme dat socialistische verandering objectief is en – onafhankelijk van welke wil dan ook – dwingend kan plaatsvinden wanneer de tegenstrijdigheid tussen onevenwichtige ontwikkeling van de productieve krachten en de productieve betrekkingen binnen de samenleving in de meerderheid van de industrienaties haar hoogtepunt bereikt zal hebben (historisch determinisme).

De materialistische voorstelling van de geschiedenis werd zelfs door Marxistische intellectuelen in het begin van de 20e eeuw betwijfeld, toen duidelijk werd dat de samenleving zich niet volgens de Marxistische handleiding ontwikkelde (crisis van het Marxisme). Dit leidde tot het ontstaan van een serie hervormers en revisionisten, die het Marxisme óf volledig afwezen (revolutionaire syndicaten en fascisten) óf diens vorm behielden, maar de inhoud van de leer volledig veranderden (Bolsjewieken en sociaaldemocraten). Deze nieuwe zienswijzen van sociale ontwikkeling waren echter geen haar beter dan het originele Marxisme.

De “nieuwe” socialisten speelden met het idee om een samenleving op te richten aan de hand van een van tevoren uitgewerkt plan en onder toezicht van kundige elites met behulp van sociale techniek en bedreiging met geweld in verschillende omvang. Dat wordt eveneens bevestigd door de socialismetheoreticus Tugan-Baranovsky door in zijn boek “Socialisme als positieve doctrine” te schrijven: “Het socialistische systeem is kunstmatig, uitgevonden door de menselijke samenleving, in tegenstelling tot de natuurlijke, spontaan ontstane vormen van samenleving, die tegenwoordig bestaan.” In de kern bevestigt hij dat collectivisme niet op natuurlijke wijze ontstaat, maar veelmeer een geïmproviseerde kwaliteit bezit. Daarom hadden de socialisten tijdens de toenmalige eeuwwisseling hun retoriek dramatisch aangepast, weg van het idee van een natuurlijke evolutie, die culmineert in de socialistische revolutie, maar naar een concept van het rationele nut.

Het fiasco van het socialisme, op grond van zijn economische niet-duurzaamheid en zijn overheersende trend naar morele decadentie, heeft geen einde gemaakt aan het socialistische gedachtegoed. Links heeft niet opgegeven en opnieuw het oude argument van communistische bendes opgegraven; van jagers en verzamelaars, die geen privé-eigendom kenden. Daarom argumenteerden ze dat het een taak van alle progressief denkende mensen zou zijn om de samenleving weer op de juiste weg terug te leiden en de collectivisering weer in te voeren, die in onze genen zit. Zoals zo vaak het geval is bij socialisten, is exact het tegendeel juist.

De voorstanders van het “primitieve communisme” voeren aan dat nomaden slechts weinig bezit hadden, dus alleen maar dingen die ze op reis konden meenemen, en zodoende kon het idee van privé-eigendom op grond van ontbrekende materiële wortels geen ingang vinden. Weinig bezittingen betekent echter niet dat er geen zin voor eigendom bestond. Er is slechts een voorwerp nodig, dat de jager zich toe-eigent en constant bij zich draagt, om een zekere intieme betekenis tussen het bezit en de bezitter te ontwikkelen. Daarom luidt ook Hans-Hermann Hoppes eerste axioma van zijn theorie over eigendomsrechten:

Iedereen is de legitieme eigenaar van zijn eigen fysieke lichaam, evenals van alle plaatsen en door de natuur gegeven goederen waarover hij lichamelijk beschikt, op voorwaarde dat hier al niet door iemand anders aanspraak op wordt gemaakt.

Hier kan nog aan toegevoegd worden dat een ieder ook de legitieme eigenaar van zijn eigen verstand is.

Een ander belangrijk punt voor de verdediging van de positie is, dat prehistorische mensen een zin voor privé-eigendom op grond van de productie van werktuigen ontwikkelden. Werktijden in die tijd bestonden uit het verzamelen van stenen en takken, die daarvoor van niemand waren geweest, en het hieraan toevoegen van iemands deugdelijke arbeidskracht. Op deze wijze werd de welvaart van de werktuigmaker groter, terwijl op hetzelfde moment daarvan niemand slechter werd. De werktuigproductie bevat dus twee significante factoren voor de economische groei: privé-eigendom en innovatie. Ongetwijfeld waren deze beide elementen van enorm voordeel voor de ontwikkeling van de menselijke samenleving.

De eigendomskwestie rondom grond in een samenleving van jagers en verzamelaars is gecompliceerd. In werkelijkheid hadden jagers en verzamelaars nog geen bomen geplant, land bebouwd of dieren gefokt, dus niet met opzet hun milieu in hun voordeel veranderd. De toenmalige wildjagers hadden echter ook een soort “kiemcel” nodig voor onderkomens, de opslag van voorraden, vuurplaatsen, primitieve werkplaatsen, dus alles wat hun provisorische kamp uitmaakte. Nog belangrijker was echter dat de jagers en verzamelaars tijdelijke controles rondom hun leefomgeving instelden. Ze bewaakten de grenzen van hun natuurlijke omgeving, net zoals elke andere, op territoria aangewezen, soort in de dierenwereld. Zo werd de toestroom van vreemde, concurrerende groepen beperkt, omdat hun welvaart en hun overleven van de exclusieve uitbuiting van de levensmiddelenbronnen in een bepaalde omgeving afhingen. Mensen controleerden dus de grenzen, maar niet de door de natuur gegeven goederen binnen hun omgeving. Dit leidde ertoe dat een gebied een dualiteit bleek te bezitten, namelijk dat het weliswaar gecontroleerd werd, maar tegelijkertijd zonder heer bleef.

Toen de jagers en verzamelaars er daarna toe overgingen om zich gebieden in een tot dan toe ongekende omvang toe te eigenen, werden ze de oorspronkelijke bezitters van grond en alle privé-eigendom zou theoretisch tot de originele bezitters nagespoord zou kunnen worden.

Een ander argument voor het “primitieve communisme” luidt dat de mensen uit de Steentijd op grond van extreme nood en armoede bijeenkwamen om levensmiddelen, op grond van algemene wederkerigheid, te delen, wat afgeleid wordt op grond van etnografische waarnemingen van oorspronkelijke volkeren. De ervaring leert ons echter dat het niet de armoede is die tot het communisme leidt, maar het communisme leidt tot armoede.

De gezamenlijke verdeling van levensmiddelen door jagers en verzamelaars is in het gunstigste geval te omschrijven met een systeem van lenen en uitlenen of als een manifestatie van een soort verzekeringsstrategie, zoals Richard Posener in zijn werk “A Theory of Primitive Society, with Special Reference to Law” (Een theorie van de primitieve samenleving, met speciale aandacht voor het recht) als volgt verklaart:

De productieomstandigheden, met in de eerste plaats het probleem van de levensmiddelenopslag, zorgen voor significante onzekerheid met betrekking tot de toekomstige adequaatheid van het levensmiddelenaanbod van een individu en leidt daarom ook tot een significante verandering in zijn welstand. Onder zulke omstandigheden komt het tot transacties, waar bijvoorbeeld A, die juist een goede oogst heeft binnengehaald die zijn eigen consumptiebehoefte overstijgt, een deel van zijn overschot afstaat aan B en B zich daardoor verplicht tot wederkerigheid als de rollen ooit omgedraaid mochten zijn. Deze transactie is voor beide partijen dus aantrekkelijk.

Daarom is het royale “geschenken verdelen” of de directe verdeling, die door menigeen oppervlakkig wordt waargenomen, in werkelijkheid het bewijs voor een tot ontwikkeling komend economisch leven, dus de vergoeding van schulden of een betaling van een verzekeringspolis tegen honger. De algemene wederkerigheid, die heerst tussen familieleden, werd abusievelijk op de hele groep overgedragen.

De samenleving van de vroege mensen wordt gekarakteriseerd door een rudimentaire arbeidsverdeling aan de hand van een geslacht, een nauwe coöperatie, een fundamentele zin voor privé-eigendom, weinig bezittingen, een gering aantal beschikbare grondstoffen en verrichtingen voor de consumptie of handel en een zekere mate van ongelijkheid in de inkomensverdeling. Een prehistorische, menselijke samenleving bezat dus alle benodigde kenmerken van een markteconomie, maar op een dusdanig laag niveau dat de meerderheid van de geleerden ertoe tendeerde deze te negeren. In het evolutionaire proces echter mag men zulke ingrediënten niet over het hoofd zien, omdat de geringste delta het onmogelijk maakt om gedragsveranderingen in het verloop der tijd te kunnen verklaren. Een beginnende en primitieve sociaaleconomische opbouw bepaalde de stijging van de menselijke ontwikkeling tot een intelligente soort, die zijn intellect ervoor zou gebruiken om steeds modernere manieren van productie te organiseren.

Aangenomen dat enkele groepen jagers en verzamelaars daadwerkelijk een soort van “primitief communisme” praktiseerden, dan zouden ze vermoedelijk uitgestorven zijn, omdat zij in de harde concurrentiestrijd met de economisch rendabele, “libertaire” stammen de mindere zouden zijn. Communisme is in de geschiedenis van de mensheid nooit spontaan of natuurlijk ontstaan. Vele pogingen van revolutionaire elementen om een communistische samenleving op te richten, werden voorzichtig en door hogerhand gepland. Jagers en verzamelaars konden zulke grandioze en tegelijkertijd zelfvernietigende plannen, op grond van hun primitieve ontwikkelingsniveau, niet zelf bedenken. Instinctief hebben zij zich op datgene georiënteerd wat natuurlijk leek. Daarom houdt de hypothese van het “primitieve communisme” geen stand tegen de kritiek en zou als voorbeeld voor een grove fout de wetenschapsgeschiedenis in moeten gaan.

Bron:
https://dieunbestechlichen.com
Vertaling: Mathias Nuding

Bron oorspronkelijk artikel:
https://mises.org
Door: Allen Gindler

Vertaald uit het Duits door:
E.J. Bron
(www.ejbron.wordpress.com)

Over E.J. Bron

www.ejbron.wordpress.com
Dit bericht werd geplaatst in Communisme, Historie. Bookmark de permalink .

Een reactie op Zelfs de mensen in de Steentijd wilden geen communisme

  1. Lilith zegt:

    Och, de goede oude steentijd (zucht) In oude samenlevingen was het gebruik dat wie tegen het algemeen belang van de stam in ging en dus het eigen belang boven dat van het algemeen belang stelde, dat die hetzij van een hoge rots of berg werd afgekieperd als voorbeeld voor de rest OF hij (meestal een hij namelijk) kon op zoek gaan naar een nieuwe stam maar die hielden en er dezelfde (toen nog ongeschreven) wetten erop na dus dat werd moeilijk…vroeger was alles beter…Die wetboeken van ons zijn een lachertje voor alles dat het daglicht niet kan verdragen. Waarom dachten we dat Vrouwe Justitia eigenlijk een blinddoek draagt????

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s