LONGREAD: “Vrucht van de boom” (deel 12)

Screenshot_2

Lees hier deel 1 t/m 11 van “Vrucht van de boom”

Via het Oosten: Byzantium, Armenië en Georgië 

Interne tegenstellingen leiden tot verzwakking 

Het Oost-Romeinse Rijk (Byzantium) van de eerste eeuwen bestond uit een veelheid van volken en etnische groepen, die allemaal hun eigen religieuze en economische belangen verdedigden. Het Rijk was daardoor nogal heterogeen en werd opgeschrikt door veelvuldige conflicten op het terrein van religie, economie en politiek. De regering van Byzantium moest het Rijk bij elkaar zien te houden, ondanks dat al de volken, zoals de Egyptenaren, de Joden, de Samaritanen en de Armeniërs, meer hun eigen belangen nastreefden. Deze volken stonden min of meer tegenover de Grieken en de Romeinen, die het militaire en administratieve apparaat domineerden. 

Nadat in 378 het Romeinse Rijk officieel tot het christendom overging, werden de tegenstellingen groter en ontaardden soms in religieus fanatisme. De Oosterse Patriarchen probeerden hun invloed uit te breiden met als doel om meer grip te krijgen op de rijkdommen van kerken en kloosters, die in die tijd erg in aantal toenamen. Egyptische, Syrische en Armeense geestelijken wezen het dogma van het concilie van Chalcedon af.

Het concilie werd gehouden van 8 oktober tot 1 november van het jaar 451 in de stad Chalcedon, een Byzantijnse havenstad aan de Bosporus in Klein-Azië, recht tegenover Constantinopel. Het concilie was het vierde christelijke oecumenische concilie. Het wordt door de Rooms-katholieke en Oosters-orthodoxe Kerken geacht onfeilbare dogma’s vast te stellen. Op dit Concilie werd het Monofysitisme verworpen en veroordeeld en de Chalcedonische geloofsbelijdenis werd er aangenomen, die inhoudt dat Jezus Christus, als tweede persoon van de Drie-eenheid, zowel volledig Mens als volledig Goddelijk is.

Even een opmerking van mijzelf

Zoals boven al is aangegeven, zorgden de verschillende tegenstellingen tot een verzwakking, maar ook mag niet vergeten worden dat de heersers van de verschillende volkeren ook meer bezig waren met hun eigen belangen dan de belangen van de eigen bevolking. Dat is ook duidelijk geworden in de vorige delen die ik hier geplaatst heb.

Ik ga ook enkele stukken overslaan, omdat het eigenlijk een oneindige draad gaat worden, maar mochten de lezers meer informatie willen, dan kan dat altijd teruggevonden worden aan de rechterkant op “E.J. Bron”,  want daar staat het boek in zijn geheel en de hoofdstukken zijn dan makkelijk terug te vinden door bij de aanvang van het boek even te zoeken naar de desbetreffende hoofdstukken.

In de 7e eeuw werden in heel de christelijke wereld bevelen uitgevaardigd om de Joden te dwingen zich tot het christendom te bekeren. Bij weigering werden ze verbannen en hun bezittingen werden geconfisqueerd. Er heerste een klimaat van onderdrukking van religieuze groepen die de heersende Byzantijnse overheid onwelgevallig waren. Dit ging gepaard met vervolging, in beslagname van kerken en andere vormen van onderdrukking.

Deze gang van zaken maakte dat, toen de Arabische moslims hun aanvallen begonnen, er op vele plaatsen weinig tot geen weerstand werd geboden en er zelfs in een aantal gevallen sprake was van regelrecht verraad; hier volgen enkele voorbeelden:

In de slag van Jarmoek in 636 waren het Armeense troepen die overliepen naar de moslims, niet wetende wat hen later zou worden aangedaan door diezelfde moslims.

Damascus moest zich overgeven na verraad van Melkitische christelijke troepen.

Ook in Spanje was bij een aantal gelegenheden sprake van verraad als gevolg van onderlinge twisten onder christelijke groeperingen.

Het eiland Kos werd door zijn bisschop overgegeven.

Sicilië kon worden veroverd door verraad van de Griekse admiraal Euphemius.

De doorgaande Arabisch-Byzantijnse oorlogen vergrootten de tegenstellingen tussen de Monofisyten, die leefden in door islamieten bezet gebied en het patriarchaat van Constantinopel. Dit werd nog versterkt door de Iconoclastische Crisis die begon in 726 en duurde tot 843, waar voorstanders van afbeeldingen en beelden in de kerken tegenover hen die daar tegen waren stonden. Later werden de tegenstellingen minder expliciet, vooral omdat de voortdurende islamitische onderdrukking de dhimmi’s nader tot elkaar bracht om het hoofd te kunnen bieden aan de invloeden van de achterstelling onder de islam.

Over het gehele door de islam veroverde christelijke gebied vond een proces plaats van uitbreiding van de islam en een langzame teruggang van het christendom, met als gevolg blijvende spanningen tussen groepen die zich aanpasten en bekeerden en diegenen die standvastig waren en het christendom (en in voorkomend geval het Jodendom) behielden. Deze conflicten bleven op de Balkan tot in onze tijd bestaan en staken in de jaren negentig van de twintigste eeuw in volle hevigheid weer de kop op, toen Joegoslavië uiteen viel na de dood van maarschalk Tito. De Joegoslavische burgeroorlog van de jaren negentig was dus geen verrassing, maar het was minstens voor een deel een gevolg van deze eeuwenoude tegenstellingen.

Byzantium en de Jihad 

De Jihad teisterde tussen 634 en 1453 de Byzantijnen in het Midden-Oosten. De Byzantijnse christenen hielden de Arabische en Turkse horden gedurende meer dan 800 jaar tegen, waarmee ze Europa beschermden tegen de islam. Om een beeld te krijgen van die confrontatie volgen nu enkele belangrijke gebeurtenissen uit de botsing tussen Byzantium en de islamitische veroveraars.

Palestina 634 en verder 

In Palestina bleven de Arabieren rooftochten houden en het platteland had voortdurend te lijden van deze tochten, waarbij velen die de slachtingen overleefden werden toegevoegd aan de grote aantallen gevangen vrouwen en kinderen die als slaven werden uitgedeeld aan de soldaten van de Kalief, nadat hij er eerst een vijfde deel zelf van had uitgekozen. Moslim-indringers en heersers hebben op vele plaatsen en in vele oorlogen de ongelovigen in slavernij gebracht. De profeet Mohammed begon al met slavernij op grote schaal voor huishoudelijke diensten en voor het concubinaat. Het verschijnsel breidde zich uit onder de rechtgeleide kaliefen (632-660), de Omayyaden (661-750) en de Abbasiden (751-1250).

Na de verovering volgde islamisering vanuit de delen van het land waar de oorspronkelijke bevolking was vervangen door moslim-kolonisten. Gedurende de tiende en de elfde eeuw kregen de moslims de overhand door de drukkende belastingen (jizya) en andere discriminerende maatregelen. Oorlogen tussen christenen onderling, vooral in Anatolië, bevorderden ook de islamitische expansie.

Het land werd verdeeld in militaire districten, bestaande uit dorpen die werden bevolkt door een veelheid van slaven en dhimmi’s en er werd een klasse van moslim grondbezitters in het leven geroepen, vooral onder Osman, die regeerde van 1299 tot 1326, en die voortgezet onder Orkan (1326 tot 1359). Al het land dat van ongelovigen was afgenomen, werd staatseigendom.

In chronologische volgorde volgen hier enkele gebeurtenissen in de vorm van korte berichten: 

Gedurende de campagne van 634 “werd de hele regio tussen Gaza en Ceasarea verwoest; 4.000 boeren, christenen, Joden en Samaritanen, die slechts hun land verdedigden, werden vermoord.

De verovering van Mesopotamië in 635-642 door Arabieren ging gepaard met plundering van kloosters en moord op monniken en monofisitische Arabieren en in Elam werd de bevolking vermoord.

Palestina werd uiteindelijk veranderd in een lege woestenij. De Arabieren trokken verder richting Armenië, waar de bevolking van Euchaita werd uitgemoord en degenen die aan de dood ontsnapten in slavernij werden gebracht. Volgens Armeense geschiedschrijvers werd de bevolking van Syrië gedecimeerd en velen werden gedwongen om de islam aan te nemen.

Kleine opmerking van mijzelf 

Het land wordt hier Palestina genoemd, omdat de Romeinen het land deze naam gegeven hadden om de Joden een eigen staat te ontzeggen wegens de vele opstanden die in de Romeinse tijd plaats vonden. Dus dit Palestina heeft niks te maken met de zogenaamde Palestijnen die heden ten dage alles doen om de Joden te verdrijven die er momenteel wonen.

De Slag bij de Jarmoek in 636 

Een van de eerste gebeurtenissen was de Slag bij de Jarmoek in 636. Tijdens deze slag tussen de Arabieren en de Byzantijnen verloren de Arabieren in de beginfase de strijd. Toen de overwinning voor de Byzantijnen zeker leek, gebruikten de moslims een schreeuwende groep vrouwen om de Byzantijnse troepen aan te vallen. Toen de Arabieren zagen dat deze tactiek bij de tegenstander tot verwarring leidde, stuurden ze een groep Arabische mannen verkleed als vrouwen in hijabs om de Byzantijnen aan te vallen.

Een van de Arabische generaals, Khalid-Ibn-Walid, die zich had vermomd als vrouw, omarmde de Byzantijnse generaal Harbees, waardoor hij hem kon doden. Daardoor raakte het Byzantijnse leger in verwarring en zo wonnen de moslims de Slag bij de Jarmoek. Na deze overwinning waaierden de islamieten uit over de nu weerloze Byzantijnse provincie Syrië. Ze bestormden de ene stad na de andere, eerst naar Jeruzalem en dan verder naar Bethlehem, Nazareth, Tiberias, Cana, Tyrus, Sidon, Damascus en in 637 naar Caesarea, de Byzantijnse handelshoofdstad in de Levant.

Ceasarea in 637 

In 637 zou Ceasarea de Arabische belegering meer dan acht maanden weerstaan en daarom gebruikten de moslims een list om de stad in te nemen. Het was een havenstad en daarom kon de omsingeling aan de zeekant niet volledig zijn en ontving de stad voortdurend voorraden en versterkingen vanuit Constantinopel. De Arabieren hadden opgemerkt dat sommige mannen tijdens bepaalde nachten stiekem hun weg van en naar de stadsmuren vonden. De moslims wachtten deze mannen op en zij bleken Bedoeïenen te zijn, die als werklieden in dienst waren van de Byzantijnen in Ceasarea.

Het kostte weinig moeite om ze over te halen hun Byzantijnse meesters te verraden. Ze lieten de Arabieren zien hoe ze via de riolering in Ceasarea binnen konden komen. De islamitische horden trokken de stad binnen, waar zij niet alleen de soldaten afslachtten, maar ook alle mannen onthoofdden en zo angst zaaiden bij de vrouwen. Deze wreedheid schokte de Byzantijnse Cchristenen zo dat het christendom er vele eeuwen door werd achtervolgd en dit leidde uiteindelijk tot de Kruistochten in de elfde eeuw. Bij de verovering van Ceasarea werden meer dan 4.000 mensen als slaven afgevoerd naar Medina.

Armenië na 642 

Vanaf 642 drongen de Arabieren binnen in Armenië:

“Ze kwamen het district Daron (Paron) binnen, ten zuiden van het Van-meer en plunderden het zeer gewelddadig. Ze legden schatting op en dwongen de bevolking om vrouwen en kinderen aan hen over te geven. In 642 werd de stad Dvin ingenomen en de bevolking werd uitgeroeid. Daarna keerde de islamieten terug zoals ze waren gekomen en namen 35.000 gevangenen met zich mee”. ”Het volgende jaar (643) kwamen de Arabieren terug in Armenië en veroorzaakten geweld, verwoesting en slavernij.”

Sepeos liet ons een beschrijving na over de strijd in 642:

“Het verwoestende leger van Arabieren verliet Assyrië in Boven-Mesopotamië en ging langs Dvor, ten zuidwesten van het Van-meer, de streek van Daron binnen, die ze bezetten net als de districten Bezhunik en Aghiovit ten westen van het Van-meer en daarna wendden ze zich naar de Beri-vallei via Didora en Kogovit ten zuiden van de berg Ararat.

Er zou niemand onder de Armeniërs zijn geweest om de alarmbel te luiden op de markt van Dvin (bij het moderne Yerevan) als er niet drie opperhoofden waren geweest die waren gekomen om de verspreide troepen te verzamelen; ze waren:

Theodosius Vahevooni, Katscian Aravelglian en Shapuh Amatuni. Ze vluchtten haastig naar Dvin. Toen ze de brug over de Medzamor bereikten, vernielden ze die achter zich en slaagden erin om het droeve nieuws van de vordering van de vijand aan de bewoners te brengen. Ze lieten alle mensen op het land die met de wijnoogst bezig waren de versterking binnengaan.

Maar Theodore (Reshtuni) was op zijn beurt naar Nakhidje gegaan. Toen de vijand bij de brug kwam, konden ze die niet passeren; maar omdat ze Vartig, de prins van Mogk en bekend als Aghdznik, als hun gids in hun midden hadden, staken ze de brug over en bezetten de hele streek.

Na een grote hoeveelheid buit en gevangenen te hebben verzameld, sloegen ze hun kamp op aan de rand van het bos van Khorovakert. Op de vijfde dag (donderdag) vielen ze de stad Dvin aan en kregen die in handen; want ze hadden een rookgordijn gemaakt en door middel van boogschutters drongen ze de mannen terug van de borstwering die ze verdedigden. Daarna, nadat ze hun ladders er tegenaan hadden gezet, beklommen ze de muren, betraden de binnenkant en openden de poorten. Het vijandelijke leger snelde naar binnen en slachtte de inwoners van de stad af met het zwaard. Nadat het zich te buiten ging aan de buit, trokken het terug naar zijn kampement buiten de stad. Na enkele dagen rust trokken de Ismaëlieten (Arabieren) terug naar waar ze vandaan waren gekomen, terwijl ze een menigte aan gevangenen met zich meesleurden, wel 35.000 personen. Ondertussen had de prins van Armenië, Theodore de heerser van Resthunik, een hinderlaag gelegd met een paar mensen in het district Kogovit en vielen op hun beurt aan; maar ze werden verslagen en gedwongen te vluchten. De heidenen achtervolgden hen en doodden er velen; waarna ze naar Assyrië terug keerden.”

Cilicië in 650 

Toen trokken de Taiyaye (dat zijn Arabieren) Cilicië binnen en maakten gevangenen; ze kwamen naar Euchaita (een stad aan de rivier de Halys in Armenië) zonder dat de bevolking het in de gaten had; ze namen bij verrassing de haven in. Toen Mu’awiya aankwam, gaf hij opdracht om alle bewoners te vermoorden; hij zette wachtposten uit, zodat niemand kon ontsnappen. Nadat ze alle rijkdom van de stad hadden verzameld, begonnen ze de leiders te martelen om er voor te zorgen dat ze hun verborgen rijkdommen zouden aanwijzen. De Taiyaye voerden iedereen in slavernij, mannen en vrouwen, jongens en meisjes en ze bedreven vele liederlijkheden in die onfortuinlijke stad; ze pleegden allerlei immoraliteiten in de kerken. Ze keerden vol vreugde terug naar hun land.

Mu’awiya, de Taiyaye generaal, verdeelde zijn troepen in tweeën. Aan het hoofd van de ene stelde hij Habib, een onaangename Syriër, die hij in oktober naar Armenië stuurde. Toen zijn troepen daar aankwamen, vonden zij het land bedekt met sneeuw. Ze lieten een groep ossen voor zich uit lopen om de weg te banen door de sneeuw. Op deze manier konden ze vooruit komen zonder door de sneeuw te worden tegengehouden. De Armeniërs, die dit niet hadden voorzien, werden onverwacht aangevallen. De Taiyayes richtten verwoestingen aan. Ze namen de bevolking gevangen, zetten de dorpen in brand en keerden opgetogen terug naar hun land.

Ceasarea in Cappadocie in 650 

Het andere leger dat bij Mu’awiya bleef, trok op naar de omgeving van Ceasarea in Cappadocie. Terwijl ze door Callisura trokken, vonden ze de dorpen vol mensen en dieren en die namen ze (mee). Na de buit te hebben verzameld uit het hele gebied viel Mu’awiya de stad (Ceasarea) aan. Hij leverde dagen strijd. Toen hij de hele provincie had verwoest, liet hij de stad met rust en trok zich terug. Enkele dagen later kwamen ze voor de tweede keer naar Ceasarea. Ze vochten een aantal dagen tegen de stad. De inwoners van Ceasarea, die zagen dat ze door een groot onheil waren getroffen en dat niemand ze zou komen helpen, kwamen overeen te onderhandelen over hun leven.

De leiders gingen op pad en kwamen overeen schatting te betalen. Toen de zonen van Hagar (de Arabieren) de stad binnenkwamen en de schoonheid van de gebouwen zagen en van de kerken en de kloosters, en de grote overvloed, betreurden ze hun belofte aan hen. Maar omdat ze niet terug konden komen op hun besluit, namen ze alles wat ze wilden hebben en gingen weg naar de omgeving van Amorium. Toen ze de lieflijkheden van de streek zagen, die op een paradijs leek, richtten ze geen schade aan, maar keerden zich tot de stad. Nadat ze die hadden omsingeld en zich realiseerden dat ze die niet konden binnenkomen, stelden ze de inwoners voor om te onderhandelen om de stad voor hen te openen. Omdat die er niet op ingingen, stuurde Mu’awiya zijn troepen er op uit om het platteland te teisteren. Ze plunderden goud, zilver, rijkdommen als stof en keerden terug naar hun land.

Tussen 649 en 654 

Anatolië: 

De zevenjarige wapenstilstand met de Romeinen (Byzantijnen) liep volgens de Taiyaye rond die tijd af. De Taiyaye plunderden alle landen van Azië, Bithynië en Pamphylië. Er was een ernstige epidemie in de landen van Mesopotamië. De Taiyaye beroofden het land opnieuw en maakten er een woestenij van tot aan Pontus en Galatië.

Cyprus: 

Mu’awiya en zijn entourage trokken naar Constantina, de hoofdstad van het hele gebied. Ze vonden de stad vol met mensen. Ze vestigden hun macht over deze stad door een bloedbad aan te richten (…) Ze verzamelden goud van het hele eiland, rijkdom en slaven en ze verdeelden de buit. De Egyptenaren namen een deel ervan, zij namen een ander deel en ze gingen terug (naar waar ze vandaan kwamen.)

Maar omdat de Almachtige God zijn oog op het eiland liet vallen om het in verval te brengen, liet hij kort daarna Abu I-A’war en zijn leger voor de tweede keer naar Cyprus komen, omdat ze er achter waren gekomen dat de inwoners te wapen waren gegaan. Toen hij aankwam werden de bewoners door schrik bevangen. Toen de Taiyaye binnenkwamen, dwongen ze de bewoners uit de grotten te komen en plunderden het hele eiland. Ze belegerden de stad Pathos en bestreden die. Toen de inwoners vroegen om onderhandelingen deelde Abu I-A’war hen mede dat hij de bewoners geen kwaad zou doen. Ze stelden de stad open en de Taiyaye verzamelden zijn rijkdommen en keerden terug naar Syrië.

Arwad: 

Toen belegerde Mu’awiya Arwad, een eiland voor de kust van Syrië op 3 km van Tartus, maar hij kon het niet innemen. Hij stuurde bericht naar bisschop Thomas dat de inwoners de stad moesten opgeven en in vrede vertrekken. Ze kwamen niet tot overeenstemming en Mu’awiya zette de belegering van Arwad voort. Toen lieten de bewoners het eiland in de steek en Mu’awiya verwoestte het, zodat het zo niet langer bewoonbaar was.

Kos:

Abu I-A’war en zijn leger kwamen over zee en arriveerden op het eiland Kos. Door verraad van de bisschop nam hij het eiland in. Hij maakte er een woestenij van en plunderde alle rijkdommen, vermoordde de bevolking en nam het restant gevangen en verwoestte de citadel.

Overzee 

Na hun eerste successen in de Slag van de Jarmoek verlegden de Arabieren tussen 634 tot 651 hun aandacht naar het Sassanidische Perzië. Ze konden over land niet oprukken, omdat de Byzantijnen ze bij de Cilicische Poort in Zuidoost-Turkije tegenhielden. Daarom bouwden de Arabieren een vloot en daarmee overweldigden zij Rhodos en vernielde de Kolossus van Rhodos, het enorme standbeeld dat de Grieken er hadden gebouwd en dat in de Oudheid gold als een van de zeven wereldwonderen. Dit was een voorbeeld voor de Taliban, die kort geleden de Bamiyan Boeddha in Afghanistan vernietigden.

Michael de Syriër heeft over deze periode geschreven:

Kreta en Rhodos in 654. 

Hij (Abu I-A’war) trok Kreta binnen en plunderde het. Daarna trokken ze naar Rhodos en verwoestten het in het jaar 654.

Tot zo ver het twaalfde deel.

In deel 13 zal ik voor een deel laten zien hoe het gegaan is met China. Dat is namelijk nodig om een idee te geven waarom er heden ten dage nog steeds grote problemen zijn met de Oeigoeren, een Turkse stam die in China neergestreken was.

Door:
“Henk der Niederländer”
(voor www.ejbron.wordpress.com)

Over E.J. Bron

www.ejbron.wordpress.com
Dit bericht werd geplaatst in Algemeen. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s