Ome Herman

Screenshot_123.png

(Door: “Taljaard”)

Het was een nogal grote begrafenis met behoorlijk wat volk; voornamelijk bejaarde boerenmensen. Een in het zwart gekleed stokoud mannetje herkende mij, en vroeg oprecht belangstellend naar het welbevinden van mijn ouders, die respectievelijk al 19 en 15 jaar geleden zijn overleden. Een eveneens in het zwart geklede, maar aanzienlijk forsere en iets jongere uitgave van dit mannetje, uitte een liefdevol “Kom moar, va” en nam hem bij de arm, terwijl hij zich jegens mij verontschuldigde met een “Hij wet `et allemoale nie zo goed meer.” Na een nogal langdradige en plichtmatige preek van een jonge dominee, die weinig wist over de overledene, begeleidden wij mijn oom Herman naar zijn laatste rustplaats, waar de kist met zijn stoffelijk overschot naast het graf van zijn vrouw en mijn tante werd gelegd. Een druilerige, grijze en typische novemberdag. Deze jongste broer van mijn moeder was vrij oud geworden; 93. De laatst overgeblevene van alle broers en zussen van mijn ouders. En het speet mij dat ik hem eigenlijk al meer dan 10 jaar niet had bezocht of gesproken.

Een jaar of vijfenveertig geleden was hij kind aan huis bij mijn ouders en mijn in paarden en schapen handelende vader. Omdat zijn twee dochters zich geen lor interesseerden voor het beroep van hun vader, trachtte hij mij de liefde voor het vak van veearts bij te brengen. Dit hield in dat ik, als jongen van een jaar of 14, hem een stuk of acht zaterdagen op zijn ronden begeleidde. Daarnaast gaf hij mij ook boeken over diergeneeskunde te leen om te lezen. Deze vooroorlogse werken stonden vol met voor mij destijds duistere Latijnse vaktermen, en waren in het meest beenderige Duits geschreven wat je je maar kon voorstellen. Mijn kennis van de Duitse taal ging er wel iets door vooruit, maar wat dingen als ”erkrebtes Rectum”, ”entzundener Uterus” en ”festierender Calix Equi” moesten betekenen, was mij een raadsel.

Om een uur of zes in de ochtend bulkte hij door de achterdeur van mijn ouderlijk huis: “Volluk!” En om dit attenderen op zijn aanwezigheid nog kracht bij te zetten, ramde hij een aantal malen met het hangwerk van deze deur op een neer. ”Ja Dikkert” – want dat was de bijnaam die hij in het gezin van mijn moeder had – ”Loop moar deur. Ik hebbe de koffie kloar en oes jongen is ok al op en an `ekleed.”

En aldus kwam hij via de deel onze woonkeuken binnen, nadat hij zijn klompen  voor de drempel had uitgedaan. ”Hoe is `t Remmelt `egoane op de Zwolse markt?”, vroeg hij. ”Weet ik nie. Dat merk ik vanzulf wel as hij strakkies uut bedde kump. As hij de kop verkeerd hef stoan en de radio niet an zet, dan hef hij d’r an verleur’n of slecht verdiend.”, antwoordde zijn zuster Jaantien. ”En dan ben ik ok liever weg.”, zo voegde ik eraan toe. ”Geliek he’j, jong.”, zo glimlachte ome Herman. ”Nou, drink oen koffie moar rap op. Dan goat wij op pad.” Gekleed in een te grote blauwe overall van mijn vader en met rubber laarzen aan mijn voeten liep ik hem achterna.

Alvorens hij in zijn witte Peugeot 404 Diesel stapte, schopte hij een aantal malen tegen de dorpel van deze auto aan om zijn klompen van modder te ontdoen. Deze dorpel vertoonde veel kleine deuken en was onder de bestuurdersdeur nagenoeg geheel van lak ontdaan. Voordat ik naast hem plaats nam, werd de passagiersstoel door mij geïnspecteerd. Want de eerste keer, toen ik daar zonder te kijken op neer plofte, belandde ik met mijn achterste op een lege wegwerpspuit met injectienaald. ”Ja, ie mut wel ev’n kiek’n, veur as da’j doar sommes goat zitt’n.”, was toen het laconieke commentaar van ome Herman op mijn verschrikte kreet van pijn. ‘Gooi die noalde moar op de achterbaanke.” De auto was van binnen zo mogelijk nog smeriger dan van buiten. Overal zwierven lege medicijnflesjes, rubberen slangetjes en aanverwante rommel over de vloer en op de zitplaatsen. Het rook er als een mesthoop op een warme zomerdag. En een overvolle asbak met sigarenpeuken completeerde het geheel.

De diesel werd gestart, een met varkenspoep besmeurde versnellingshendel aan het stuur werd naar boven geramd en de auto zette zich in beweging. Ik hoorde een geluid alsof er messen werden geslepen. ”Dat bent de veurste remschijv’n.”, verklaarde ome Herman ongevraagd. ”Die bent weer ies verslet’n. Hebbe ze veurig joar nog vervang’n, moar dat Fraanse spul slet ja harder as de uiers van ’n nijmelkse veerze an een melkmasjien met teveule compressie.” ”Doar kriegt ze mastitis van.” Tweede versnelling.

”Weet ie al wat mastitis is?” Derde versnelling. ”Eh, iets met de uiers, ome Herman.” ”Juustem.” Vierde versnelling. Het indringende geronk van de diesel overstemde het steeds snellere ”tsjing, tsjing, tsjing” van de aanlopende en tot op de draad versleten remschijven. Terwijl de ochtendzon door de nevels heen brak, reden wij over de grotendeels nog lege wegen door Balkbrug en Nieuwleusen, de Lichtmis en de afslag Rouveen voorbij, richting Hasselt. Maar voordat we daar waren, minderde de Peugeot vaart, drukte ome Herman met zijn klomp op het rempedaal, wat slechts een schurend hels kabaal veroorzaakte zonder noemenswaardige remwerking. Hij sloeg rechtsaf en wij hobbelden over een hier en daar met puin ingelegd karrenspoor.

Achter een met elzen en eiken begroeide bossage ontwaarden wij een boerderij met een bemost rieten dak, met daarnaast een met roestige golfplaten gedekte grote en zwart geteerde kapschuur, en aan de andere kant twee grote hooibergen met verstelbare rieten kappen. Wij werden verwacht, want uit de achterste baander verscheen een oude, forse man. Hij droeg een dikwijls verstelde kiel, in alle varianten van licht- en donkerblauw. En een al net zo vaak verstelde bruine manchester broek, in net zoveel varianten van licht- en donkerbruin. Klompen aan zijn voeten, en een pet die zo diep over zijn voorhoofd was getrokken, dat ik zijn ogen niet kon zien.

”Da’s Boele Compagner”, zei ome Herman. ”En zien vrouw Harmke. Broave mensies. Denk d’r umme da’j op oen woord’n let. En niet vluuk’n. Heurie?”, zo meende hij mij te moeten vermanen; hoewel ik zelden of nooit vloekte. ”Moj, Lusseveld.”; een zware en schurende stem. ”Moj, Boele. Wat kaan’k veur oe doen?” ”Oes Zwoantien. Ik benne bange, dat zij de bortes hef.”

”Da’s niet te hop’n, keerl. Loat mij d’r moar ies ev’n naor kiek’n dan. Stiet ze op stal?” ”Ja, heb heur gister’n uut de wei `ehoald. Zij heft `t kalf af’ewurp’n.” ”Wat he’j met dat kalf `edoane?” ”Op`eruumd en verbraand. De aandere biest’n voort direk verweid. En `n halve busse carboleum op de plekke woar dat kalf lag `egooid.” ”Goed zo. Meer k’uj ok nie doen.” ”En wie is dat?”, zo vroeg Boele, op mij duidend. ”Da’s mien neeffien. Die wil meskien loater ok veearts word’n.” ”Zo dan. Van wie ben ie d’r iene?”, zo vroeg Boele mij. En voor het eerst zag ik een paar scherpe grijze ogen onder de klep van zijn pet. ”Van de Afrikaander, meneer Compagner.”, antwoordde ik gewoontegetrouw. ”Die ken ik nie.” ”Zo nuumt ze zien va an De Voart.”, verduidelijkte ome Herman. ”Oh, op die maniere.”

‘Oes Zwoantien’ bleek een grote en schonkige roodbonte koe te zijn, die als enige op de donkere stal stond. Ome Herman legde zijn hand op de zijkant van haar nek. ”Koorts”, zei hij kort. ”Eet ze?” ”Neje, moar zij drinkt wel veule.”, antwoordde Boele. ”Hmm. Til ie de steerte ies op, jong.”, zei ome Herman tegen mij. Trots dat ik mocht helpen, schoof ik de met poep bedekte koeienstaart opzij. Ome Herman snuffelde een paar keer aan de vulva en stak er daarna zijn hand  in. De koe loeide pijnlijk, en hij trok hem er snel weer uit. Daarna besnuffelde hij ook zijn hand. ”Ie hebt geluk, Boele.”, zo constateerde hij. ”`t Is gien abortus, moar ontsteking. Doar he’k ok wel wat veur. Hoalt mij de tasse ies uut de kofferbak, jong.” Een paar minuten later zeulde ik een loodzware en grote bruinleren tas de stal binnen. Wat zat daar in? Een lading bakstenen soms? Ome Herman opende de tas, zette een leesbril op zijn neus en overhandigde mij zijn aansteker, met de woorden;”Licht ies bij.” Hij rommelde in de tas en haalde er een bruin flesje en een injectiespuit uit. ”Penicilline?”, zo vroeg ik wijsneuzig. ”Hmm.” Ingespannen en geconcentreerd stak hij de naald van de spuit door het deksel van het flesje, om daarna net zo geconcentreerd de spuit te ontluchten. Met een snel en geroutineerd gebaar injecteerde hij de koe in haar halsslagader, op zo’n manier dat het beest er niets van voelde. Voorzichtig en zorgvuldig injecteerde hij haar. ”Zo. Ik denke dat zij over `n etmoal of zo wel weer `n stuk beter is, Boele.”, zei hij toen. ”Moar ie mut de melk de eerste weeke nie bij de rest doen, aans krie’j gezeur met de koperaasie.” ”Wat ben `k oe schuldig, Lusseveld?”, vroeg de boer. ”Vieftig guld’n” ”Asseblieft zeg! Wat `n geld.” ”As ze niks kreeg war’n ie twintig keer zoveule kwiet.” ”Da’s ok wel zo, ja. Kump moar noar veur’n.”

De boer ging ons voor door de stal, over de deel heen naar hun woonkeuken. Gewoontegetrouw trok ik mijn laarzen uit en zette die naast de klompen van ome Herman en de boer. Over een vrij hoge drempel heen betraden wij een groot en laag vertrek met betegelde muren. Een knetterend houtfornuis onder de schouw verdreef de kilte van de vroege oktoberochtend uit onze botten. Aan de schoorsteenmantel hing een mij bekende plaat achter glas van de smalle en de brede weg. Een oud vrouwtje in Staphorster klederdracht keek ome Herman aan en vroeg bezorgd; ”Hoe is `t met oes Zwoantien?” ”Kump wel goed, Harmke.” Een paar hartelijke en goedige blauwe ogen achter een oud rond brilletje keken mij aan. ”Dag jonchien. Lus ie ok wel een bakkie en ´n plakke koeke?” ”Danke wel, vrouw Compagner.”, antwoordde ik beleefd. Het was de gebruikelijke boerenkoffie; meer melk met Buisman dan koffie, en natuurlijk met een vel erop. Maar de dik met roomboter besmeerde gemberkoek maakte alles goed. Op het tafelzeil lag een stukgelezen oude Statenbijbel opengeslagen op Jesaja 57; toevallig hetzelfde hoofdstuk waar mijn vader gisteravond aan tafel ook uit had gelezen.

Intussen had Boele het geldkistje uit de spindekast gepakt. Ik wendde mijn hoofd af, want het was ongemanierd om daarin te kijken. Er werden twee briefjes van 25 voor ome Herman uitgeteld en de boer legde er een rijksdaalder en een sigaar naast. ”We bent d’r bliede met, Lusseveld.” ”Ok bliede dat ik jullie zo makkelijk kon hulp’n, volk. Nou allo neeffien, hap an. Wij hebt vandoage nog meer te doen. Goedgoan mens’n.” Hij zette zijn pet weer op, stak het geld in een beurs waar een elastiek om was gewikkeld, die hij uit de binnenzak van zijn lange beige stofjas haalde. Uit de linkerzak bungelde een stethoscoop. In de stal pikte hij de loodzware tas op alsof deze niks woog. Ik rende hulpvaardig voor hem uit om de kofferbak te openen en enige minuten later reden wij weer richting Nieuwleusen en Balkbrug. Halverwege Balkbrug draaide de Peugeot de Nieuwe Dijk op, om daarna de Hoofdweg, richting Halfweg, op te gaan.

”Wat `n lieve mens’n, die Compagners.”, merkte ik op. ”Bent het ok.”, antwoordde mijn oom, die intussen een sigaar had opgestoken. ”Al hun drei kienders bent overled’n. Iene is d’r verdrunk’n en deur `t ies van de Voart `ezakt. De aandere is met de motor verongelukt. En hun jongste hef kanker `ekreg’n. Moar d’r kump gien kwoad woord over hun lipp’n. En ze bent stoapelgek met hun biest’n. Waor wij nou noar toe goat is `n hiel aander slag volk. Ik denke da’j dalik beter in de auto kunt bliev’n zitt’n.” ”Woarumme dan?” ”Zij fokt doar grote, gevoarlike en valse hond’n, die ze los over `t arf loat lop’n.” ”Oh…. Goed d’aj me dat zegt. Wat veur hond’n?” ”Rotkwijlers.” ”Die kreng’n?  Ben ie doar nie bange veur dan?” ”Maak `t dashboardkassien moar ev’n open en geve mij wat doarin ligt.”

Tot mijn schrik en verbazing lag daar een revolver in. Met ietwat bevende handen overhandigde ik mijn oom het vuurwapen. Wij reden een slordig en rommelig erf op. Woest grommende en bassende Rottweilers stoven vanuit alle richtingen op de auto af. Ome Herman opende het raam net genoeg om de loop van de revolver er door heen te kunnen steken en schoot twee keer in de lucht. Het scheen de honden alleen maar kwader te maken, maar een lange, broodmagere vent met vuurrood haar opende de deur van het huis. ”Otto, ie weet d’r van!”, schreeuwde ome Herman boven het kabaal van de honden uit. ”Roep die hond’n en sluut ze op. En as ze mij anvalt schiete ik ze veur hun roap!” ”Ja, ja, man. Make oe toch niet zo drok.”, was het lijzige antwoord. ”KOEST!!! AF!!”, brulde de roodharige totempaal. De honden zwegen als bij toverslag en lieten zich daarna als een kudde schapen in een schuur met kennel opsluiten. Een vet en onappetijtelijk wijf in minirok met vlooienbeterige blote benen verscheen in de deuropening. Op haar arm droeg ze een dommig uitkijkend roodharig jong. Een straal kwijl lekte van zijn wijkende kinnetje. ”Blief ie moar in de auto.”, gelaste ome Herman mij. ”Want tiene teg’n iene dat d’r nog arg’ns zo’n rotbiest los rondlup. Pak moar `n sigare van mij.”

Hij stapte daarop zo snel mogelijk uit en gooide de deur achter zich dicht. Scherp om zich heen kijkend en met de revolver in zijn hand liep hij bij het wijf langs naar binnen. Ik stak een sigaar op en nam een paar trekken. Was alleen af en toe een halfzwaar sjekkie gewend en legde het rookgerei daarom dan ook al snel weer in de volle asbak. Kreeg een grote schrik toen er ineens vlakbij mij een hond woest aansloeg. Het zwartbruine beest sprong op de motorkap en leek mij dwars door de voorruit heen naar de keel te willen vliegen. Hondenkwijl besmeurde het glas en nagels krasten fanatiek over de ruit. Nog een keer die bek met tanden voor mijn gezicht. Een afgebroken ruitenwisser viel tinkelend op het met klinkers en hondendrollen belegde erf. Hij kwam er niet door, maar ik begreep nu de reden waarom mijn oom hier een geladen en ontzekerde revolver bij zich had. ”BRUTUS!! AF!!, weerklonk opnieuw de stem van Otto Kooiker. Het beest sprong van de motorkap en liep zachtjes jankend en kwispelend met zijn staartstompje naar zijn baas. Ome Herman verscheen in de deur. Hij richtte zijn revolver op de hond. ”Niet doen, Lusseveld!”, zei Kooiker paniekerig. ”Da’s mien beste fokreu.” ”Sluut `m dan ok op, gadakke! Ik woarschou oe nie weer. Heurie? En mu’j nou ies keik’n wat dat biest `edoane hef. Krassen op mien motorkappe en mien veurroete, en de roet’nwisser kapot. Dat kost oe honderd guld’n extra.” ”Veur die vieze olde bak van oe?” ”Die auto is nog gien vief joar old, man! En ik mutte d’r alle dag’n mien brood met verdien’n. Ik kan ok Kraak (de rijkspolitie brigadier van Balkbrug) bell’n. Woll’n ie dat soms liever? Jullie kent mekare toch al zo goed?” ”Nee, nee, nee. Loat `m dan moar mak’n op mien rekening.” ”En dan zeker weer op mien geld wachten tot an Sint Juttemis?  Ik wete `t beter `emaakt. Ie doet mij nou direk tweehonderd guld’n.” Roodharige Otto vloekte hartgrondig en godslasterlijk. ”Doar maak ie et ok nie beter met.” merkte ome Herman laconiek op. De hondenfokker betaalde knarsetandend uit, en met een ”tsjing, tsjing, tsjing” van de kapotte remschijven dokkerden wij het erf weer af. ”Zo”, zei ome Herman vergenoegd. ”`n Aandere roet’nwisser kost `n tientien. En die krass’n maakt mij niks uut.” ”Ik ben aans bliede da’k in de auto ben `eblev’n.”, zei ik kleintjes. ”Dat biest wol mij de strotte afbiet’n.” Oom vertelde mij toen, dat hij al twee keer een hond van Kooiker had doodgeschoten. Dit heerschap had een paar keer in de gevangenis gezeten wegens diefstal en heling van gestolen goederen. De laatste jaren verdiende hij een goede boterham met het fokken van die Rottweilers. Maar een stuk schorem bleef het. Zelfs de luitjes van het nabij gelegen woonwagenkamp haalden hun neus voor hem op.

Daar reden wij trouwens nu ook heen. Een oude weduwe hield daar een stokoud paard aan, waar ze zeer aan gehecht was. Want dit dier had haar en wijlen haar man in vroeger jaren met hun wagen het hele land door getrokken. Ze slofte ons in tranen op te grote laarzen door de modder tegemoet. ”Eilieve, meheer de dierenars. Me lieve Bas. Hij is zo ziek. Ach, hij is toch zo ziek.”, jammerde ze in een onbestemd dialect. ”Doe maar rustig aan, tante Koba.” zei ome Herman in het Hollands. ”Wij hebben hem er wel vaker weer bovenop gekregen, toch?” Een ruigharige, magere en oude bruine ruin stond op wankele benen in een met schoon stro belegde stal. ”Ja, het is weer het oude liedje, tante Koba. Koliek. Heb je hem soms weer roggebrood gevoerd? Ik zei je toch dat zijn maag dat niet meer kan verdragen?”

”Belneent, meheer de dierenars. Speculaas hebbie gehad.” ”Dat moet je dus ook niet doen. Hooi is goed genoeg voor hem. En af en toe een handje brokken.” ”Wij goat `m `n klisma gev’n”, zei hij daarna tegen mij. ”Tante Koba hold `m bij de kop vast, en wij halstert zien achterbien’n. Hij lek `n old en braaf beessien, moar hij kan nog barre gemien biet’n en schupp’n as hij dat wil. Waart oe, jong.”

Het was duidelijk, dat ook Bas wist hoe laat het weer was toen hij ome Herman in het oog kreeg. Met veel moeite wist tante Koba hem enigszins tot bedaren te brengen. En toen mijn oom en ik zijn achterbenen wilden vastbinden, suisde een hoef vlak voor mijn gezicht langs. ”Waart oe. He’k oe toch `ezegd?”, mopperde oom. Tenslotte wisten we de klus te klaren. Ik moest een rode rubber slang met knijppeer en een fles slaolie uit de kofferbak van de Peugeot halen. De slang werd anaal ingebracht; iets wat Bas bepaald niet kon waarderen. Vervolgens werd de olie erin gepompt. ”Nou wacht’n wij ev’npies.”, was het commentaar van ome Herman. Wij hoorden een gerommel in de buik van het paard. ”Kump ie.” Tetterend spoot een straal groenbruine derrie uit de paardenaars tegen de houten achterwand van de stal. Het herhaalde zich enkele malen, totdat de buik leeg was. ”Zo dan. Tante Koba. Jij mag zelf het touw om zijn achterbenen losmaken.” ”Oh, dankie, dankie, meheer de dierenars. Wat mot me dit koste?” ”Twee potten heidehoning uit jouw korven.” ”Beljaat, meheer. Ken uwes van mij krijge, hoor. En me kleinzoon het ook een vette haas geschote. Die ken uwes erbij krijge. Mot u strakkies wel oppasse voor uw tanden en die van mevrouw, want er zitte hagelkorrels in. Ken u op een schoteltje op tafel apart legge.”

Maar opeens zag ome Herman een oude Peugeot 404 op de sloperij naast het woonwagenkamp staan. ”Ik heb liever wat anders als beloning, tante Koba.” En hij legde aan haar uit, wat het probleem met zijn auto was. Binnen een mum van tijd werden vier opgeschoten jonge kerels gecharterd. De oude rode sloop-Peugeot werd van voren opgekrikt, waarna de voorste remmen snel en vakkundig werden verwijderd, om deze daarna onder de witte auto van ome Herman te monteren. De wisselschijven waren wat roestig, maar nog lang niet versleten. Het remsysteem werd met remolie bijgevuld en ontlucht. En binnen minder dan twee uur was de zaak gerepareerd. Oom gaf de oudste van de tieners twee tientjes om onder elkaar te verdelen. Wij deden nog enige adressen aan, waar niets opmerkelijks gebeurde. ”Lucratief daggien vandage.”, zei hij innig tevreden, toen wij weer terug naar huis reden. ”Ie magt wel voaker met mij mit.”

Helaas stapte enkele zaterdagen later een recalcitrant koebeest op mijn in een rubber laars gestoken rechtervoet. Ome Herman merkte op, dat hij daarom altijd klompen droeg. Het zaakje raakte in de loop van de week daarop ontstoken, met als gevolg dat ik 10 dagen lang in het ziekenhuis te Zwolle moest verblijven. En ik nog geluk had dat er slechts een stuk necrose uit mijn bovenvoet moest worden gesneden, in plaats van dat mijn hele voorvoet moest worden geamputeerd. Mijn ambities in de veeartsenij waren daarna ten einde. Misschien eigenlijk wel jammer achteraf. Met koud weer steekt deze voet nog steeds. Ook toen ik eergisteren de begrafenis van mijn oom bijwoonde. Vaarwel, ome Herman. In paradiso angelis te duceant.

Door:
“Taljaard”
(voor www.ejbron.wordpress.com)

Over E.J. Bron

www.ejbron.wordpress.com
Dit bericht werd geplaatst in Algemeen. Bookmark de permalink .

15 reacties op Ome Herman

  1. Cathja zegt:

    Geweldig, “Taljaard”!
    Mooi om eens iets anders te lezen dan alleen maar narigheid, waarmee we de laatste tijd worden overgoten!

    Liked by 6 people

  2. Jopjop zegt:

    Heel mooi verhaal en leuk geschreven

    Liked by 4 people

  3. Jan Altena zegt:

    Prachtig verhaal. Ik woon in de omgeving en herken het enigszins!

    Liked by 1 persoon

  4. Geweldig om te lezen, Dank! Die Keuterboertjes hebben het veel zwaarder gehad dan al die GELUKZOEKERS die hier op ONZE KOSTEN in de watten worden gelegd door Onnozele Wereldvreemde Idioten! Als kind ook vaak op de grote boerderij van familie geweest (Zetboer). Ik heb die heerlijke boerderijlucht nog in de neus, na al die jaren. Rotkwijlers…. Ik ben nogal huiverig voor honden en moest naar kennissen, liefhebbers van rw’s. Bij binnenkomst enthousiast geblaf, gespring en ik zal zeker enige paniek hebben uitgestraald. Toen ik ging zitten sprong de grote hond spontaan bij mij op schoot en dat ze flink kunnen kwijlen heb ik gemerkt. Het was alsof ik een minaar op schoot had. En zo ken ik nog een paar heerlijke honden.

    Like

  5. ronjaspers zegt:

    Uit het hart gegrepen,toen nederland nog nederland was.

    Liked by 2 people

  6. bezorgde burger zegt:

    Wat kunt u mooi schrijven Taljaard!
    Het was net alsof ik even in mijn kindheid terugkeerde.
    Kalm an en aj nog ies tied over hebt was ’t mooi aj nog ies zukke stukkies schreef’n!

    Liked by 1 persoon

  7. Tijl Uylenspiegel zegt:

    Ik mis de ondertiteling !
    Nee hoor gekheid, het leest wat langzamer maar je komt er wel uit 😀
    Herkenbaar ook dat laatste stukje, ik zal nooit vergeten dat we eens met het voltallige stalpersoneel gingen zwemmen bij een meisje, haar ouders waren goede klanten bij ons.
    Eenmaal bij het zwembad bleek dat we allemaal wel een of meerdere blauwe tenen hadden, nou ja behalve ik dan, ik liep altijd op van die Zweedse klompen met van die leren bovenkanten, als een paard dan op je voet wil gaan staan voel je het als het ware aankomen en kun je je voet er nog uithalen voordat hij écht doortrapt.
    Kennelijk hadden ze na verloop van tijd ook in de gaten dat dit misschien wel een goed idee was want van lieverlee liepen ze er allemaal mee!
    Bedankt meneer Taljaard voor een zeer vermakelijk stukje !

    Like

  8. Tijl Uylenspiegel zegt:

    Vergat het bijna te vragen; bent u ook dierenarts geworden of bleef het bij goede plannen ??

    Like

  9. dutchess zegt:

    Wat een heerlijk verhaal, smaakt naar meer…

    Like

  10. Mary zegt:

    Ha echt van genoten!!!!!!

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s