
(Door: Wim van Schaik)
Op 5 mei 2015 overleed arabist en PVV’er Hans Jansen. Jansen schreef 17 boeken over de islam en andere religies, werkte mee aan een Nederlandse vertaling van de Koran en schreef columns voor weblog GeenStijl. Aanvankelijk oordeelde hij mild over de islam, maar aan het begin van deze eeuw veranderde dat. Hij raakte bevriend met Theo van Gogh en Ayaan Hirsi Ali en werd steeds kritischer. In 2008 adviseerde hij Geert Wilders bij diens anti-islamfilm “Fitna”. Twee jaar later was hij getuige in het proces tegen de PVV-leider, die verdacht werd van haat zaaien en discriminatie. Jansen nam het op voor Wilders. Hij verklaarde dat wat Wilders had gezegd ook werkelijk in islamitische teksten te vinden is. In juni 2011 werd Wilders vrijgesproken. Vanaf juli 2014 zat Jansen voor de PVV in het Europees Parlement.
Als hommage aan deze erudiete autoriteit op het gebied van de islam, een man met een snelle geest en een scherpe pen, volgt hieronder een passage uit zijn boek ‘De vreemdeling en de Bijbel’. 1) Een passage die nog steeds actueel is. Zo niet actueler dan ooit.
Bijbeluitleg is een vak voor acrobaten, maar je kunt natuurlijk ook gewoon doen. Alleen, gewoon doen bij teksten die qua tijd en plaats zo ver van ons verwijderd zijn, levert vaak rare naïeve misvattingen op. Dat heeft een duidelijke oorzaak. Het is echt nodig om bij Bijbelteksten ook te kijken naar wat de tekst kennelijk veronderstelt en impliceert. Helaas is daar tot op zekere hoogte meningsverschil over mogelijk, terwijl het voor de uitleg wel van groot belang is.
Net als moderne teksten bevatten oude teksten uit verre landen altijd onuitgesproken vooronderstellingen die in de ogen van degenen tot wie die tekst gericht is zo vanzelfsprekend zijn dat ze niet uitgesproken en neergeschreven hoefden te worden. Teksten vullen met wat iedereen al weet en waar iedereen het over eens is, maakt die teksten onleesbaar voor tijdgenoten van de schrijver. Maar voor ons, duizenden jaren later, is het nodig om die vooronderstellingen zo nauwkeurig mogelijk weer expliciet te maken.
Het zijn niet alleen de vooronderstellingen die in de tekst verborgen zijn die bij de uitleg meetellen. Ook speelt het een rol of een tekst ergens over rapporteert, of ergens toe oproept. Een oproep betekent dat hetgeen waartoe opgeroepen wordt, niet of niet voldoende aanwezig is. Een oproep tot naastenliefde of kuisheid betekent dat in de reële bestaande maatschappij van degene die die oproep doet, het aan naastenliefde en kuisheid ontbreekt.
Wanneer we met deze overweging in het achterhoofd kijken naar de vreemdeling in de bijbel, dan moeten we vaststellen dat de hedendaagse welwillende benadering van vreemdelingen de bijbel eigenlijk vreemd is. De bijbel rapporteert impliciet dat vreemdelingen er inderdaad ellendig aan toe zijn, en bevat passages die er toe oproepen de vreemdeling, zoals alle rechtelozen en hulpbehoevenden, terzijde te staan. De etymologie van het Nederlandse woord ‘el-lendig’ gaat overigens ook terug op elders-landig, wat wil zeggen dat het woord ‘ellendig’ de natuurlijke staat van een vreemdeling heel aardig aanduidt.
De moderne mensvriendelijke benadering van vreemdelingen steunt vooral op het slot van Mattheus 25, in het bijzonder het vers ‘Voor zoveel gij dit een van deze mijne minste broeders gedaan hebt, zo hebt ge dat mij gedaan.’ Het gaat dan om het voeden van wie honger heeft, te drinken geven aan wie dorstig is, en het herbergen van vreemdelingen. In werkelijkheid is de lijst nog wat langer, zie de grondtekst.
Maar zo’n oproep aan de gelovigen tot het herbergen van de vreemdeling is nog niet hetzelfde als een statuut dat de vreemdeling allerlei bijzondere rechten verleent. Het is uitsluitend een vermaning tot de hartelozen om iemand die het kennelijk per definitie moeilijk heeft, ter zijde te staan. Het impliceert nu juist de volslagen hulpeloosheid en rechteloosheid van de vreemdeling. Die rechteloosheid wordt impliciet als vanzelfsprekend en normaal beschouwd. Het systeem van regelgeving van een multiculturele samenleving waarin de migrant met behoud van de eigen wetten, godsdienstige gebruiken, zeden en identiteit toch dezelfde rechten ontvangt als de ingeborene, kan alleen met heel veel acrobatiek uit zo’n vermaning gedistilleerd worden.
In zo’n moderne multiculturele samenleving is een vermaning om de vreemdeling barmhartigheid te betonen ook eigenlijk zinloos geworden, omdat de vreemdeling, anders dan de zieke, de hongerige, de dorstige of de gevangene, in dat geval ook eigenlijk geen speciale hulp van de gelovigen meer nodig heeft. Indien de samenleving al dan niet stilzwijgend voorzien is van een multicultureel statuut ten behoeve van vreemdelingen, is een vreemdeling immers gelijkberechtigd, en dus ook, in dezelfde mate als de ingeborenen, gevoed, geherbergd, gezond en vrij.
De bijbel (Oude en Nieuwe Testament dan samengenomen) gaat er steeds als vanzelfsprekend van uit dat vreemdelingen niet dezelfde rechten hebben als de ingeborenen. De bijbel vraagt er niet om daar verandering in aan te brengen, wel om ook deze groep ellendige rechtelozen liefdevol tegemoet te treden. (Bijv. Deuteronomium 10:19.) Mattheus 25 bevat een oproep tot de gelovigen om (onder anderen) vreemdelingen te helpen, maar zo’n oproep betekent niet dat vreemdelingen wanneer ze de benodigde hulp hebben ontvangen niet langer vreemdeling zijn. Integendeel, de bijbel gaat er zonder veel verdere argumentatie van uit dat vreemdelingen, of ze nu wel of geen hulp krijgen, zich hebben te schikken en aan te passen.
De bijbel doet zelfs uitspraken waar Drs. Hans Janmaat, de in 2002 overleden leider van de vroegere xenofobe Centrumpartij, het van harte mee eens geweest zou zijn: ‘Ons erfdeel is tot de vreemdelingen gewend, onze huizen tot de uitlanders’; Klaagliederen 5:2. Sleutelen aan de vertaling kan natuurlijk altijd, maar de Hebreeuwse tekst is glashelder. Het Hebreeuwse werkwoord dat dit vers bevat, impliceert dat alles op zijn kop is komen te staan, en dat het zo niet hoort. In gewoon Nederlands betekent de tekst van Klaagliederen 5:2 dat we ‘ons erfgoed en onze huizen’ aan vreemdelingen zijn kwijtgeraakt, en dat dat tegen de maatschappelijke en goddelijke orde indruist.
De vier evangeliën bevatten geen verhalen die handelen over vreemdelingschap, behalve misschien het verhaal van de Barmhartige Samaritaan. Dit verhaal heeft niet de vreemdeling als thema, maar de vraag wie onze naaste is. Het verhaal gebruikt de figuur van een vreemdeling, in dit geval een naamloze Samaritaan, als voorbeeld van iemand die, om niet, aan een hulpeloos en naamloos slachtoffer van banditisme ‘barmhartigheid’ bewezen heeft. (Zie Lukas 10:37.)
De les van het verhaal is duidelijk. Het gedrag van deze vreemdeling strekt ons allen tot voorbeeld. Het gaat hier niet om het ter zijde staan van een vreemdeling die in benarde omstandigheden verkeert, maar om het omgekeerde. Het is een vreemdeling die zelf hulp verleent, aan iemand die dat nodig heeft. Als iemand met zo’n lage status dat al doet, hoeveel te meer dienen de gelovigen de rechtelozen dan wel niet te hulp te schieten.
Ook buiten de vier evangeliën bevat het Nieuwe Testament geen verhalen over vreemdelingschap en de maatschappelijke behandeling van vreemdelingen. Wel worden de vele verhalen die het Oude Testament daarover bevat min of meer bij de lezer bekend verondersteld. Eén voorbeeld: Abraham was vreemdeling, en de Israëlieten waren vreemdelingen in Egypte; Handelingen 7.
Het opvallendste verhaal over een vreemdeling in het Oude Testament is dat van Ruth, een Moabitische vrouw, de weduwe van een Israëliet. Ruth komt als vreemdeling te midden van de Israëlieten terecht. Daar heeft ze het niet makkelijk, totdat ze met een aanzienlijke dorpsnotabel weet te trouwen. Haar ‘vergunning tot voorlopig verblijf’ verwerft ze door zich volledig te onderwerpen aan de godsdienst van de Israëlieten: ‘uw God is mijn God’; Ruth 1:17. Daarmee zijn haar problemen nog lang niet opgelost, maar het verhaal eindigt ermee dat zij de overgrootmoeder van Koning David zal blijken te worden.
In het boek Ezra, de hoofdstukken 9 en 10, wordt geheel in tegenstelling tot de inhoud van het boek Ruth, verkondigd dat een huwelijk met een vreemdeling een groot kwaad is. Het kan haast niet anders of de auteur van Ezra 9 en 10 heeft het boek Ruth niet gekend. Nehemia gaat nog verder: hij vervloekt de gemengd gehuwden, slaat enigen van hen, en trekt hun de haren uit het hoofd (Nehemia 13:25). Dit is min of meer in overeenstemming met Exodus 34:11-17 en Deuteronomium 7:3, waar huwelijken met vreemdelingen streng verboden worden.
De auteur van het boek Ruth is mogelijk goed op de hoogte geweest van dit anti-vreemdelingenbeleid, misschien zelfs wel van de teksten waarin dit beleid verwoord wordt. Hij is het er niet mee eens geweest, en probeert door een verhaal over een verre overgrootmoeder van de prestigieuze Koning David het accent te verleggen van etniciteit naar religie en cultuur. Wanneer Ruth, hoewel ze etnisch vreemdelinge is, aan bepaalde religieuze en culturele eisen voldoet, is haar aanwezigheid niet langer verkeerd.
De eisen die de auteur van het boek Ruth aan Ruth stelt, gaan overigens veel verder dan de eisen die Geert Wilders aan de moslims in Nederland zou willen stellen. Geert Wilders eist slechts dat moslimse vreemdelingen in Nederland bepaalde agressieve en bloeddorstige passages uit de Koran tot dode letter verklaren, de auteur van het boek Ruth eist daarentegen dat Ruth zich religieus (lees: cultureel) met huid en haar aan haar nieuwe landgenoten aanpast. Er is niemand in het moderne Nederland die ten aanzien van de migranten zo ver gaat.
Een belangrijke groep vreemdelingen waarmee de Israëlieten in de Hebreeuwse bijbel te kampen hebben, zijn de naburige Filistijnen. Het is tussen de Filistijnen en de Israëlieten eigenlijk permanent oorlog. Het theologische motief in deze verhalen is desalniettemin niet zo bloeddorstig: wanneer de Israëlieten zich aan Gods wetten zullen houden, zullen ze niet door de Filistijnen verslagen en vernietigd worden. Het gaat steeds om preken in verhaalvorm die ertoe oproepen om het verbond tussen God en Israël niet te verbreken, te leven volgens de wetten van God, en geen vreemde goden te aanbidden. Vaak verliest de auteur zich halverwege in wat een verhaal over een strijd had moeten worden, in een preek die de noodzaak tot trouw aan de God van Israël benadrukt. Maar hoe dan ook, de Filistijnen komen er niet goed af.
Al voor onze jaartelling is het Oude Testament in het Grieks vertaald. Deze vertaling is volgens de overlevering rond 250 voor Christus in de Egyptische stad Alexandrië gemaakt. Hij staat bekend als de Septuaginta, meestal afgekort tot LXX, de Latijnse vorm van het cijfer 70, omdat er zeventig dan wel 72 geleerden aan zouden hebben meegewerkt die allen met precies dezelfde vertaling aankwamen. (Zoiets zou inderdaad een heel groot wonder zijn.) Hoe het ook zij, de Septuaginta is in ieder geval de Bijbeltekst geweest zoals die in de Hellenistische periode bekend was. Mogelijk is de LXX later dan het jaar 250 voor Christus gemaakt, maar dat is nu niet het punt waar het om gaat.
De makers van de LXX gebruiken waar de Hebreeuwse tekst van de bijbel over de Filistijnen spreekt, het woord allo-phuloi, de ‘anders-stammigen’. Dat komt wel heel dicht bij het hedendaagse woord allo-chtonen, ‘anders-landigen’. We mogen met een gerust hart aannemen dat de makers van de LXX dichter bij de Bijbeltekst stonden dan moderne lezers en uitleggers. Het ligt voor de hand dat de LXX-vertalers de achterliggende mentaliteit van het publiek waartoe de bijbelschrijvers zich in eerste instantie gericht hebben, beter kenden dan wij heden ten dage. En in die manier van tegen de wereld aankijken, komen de vreemdelingen, de allo-phylen, er niet best af.
Voortdurend keren deze vreemdelingen zich tegen God en zijn volk! Veel meer wordt er nauwelijks over hen meegedeeld, vandaar dat wetenschappelijke naspeuringen naar de Filistijnen bij gebrek aan historische aanwijzingen snel doodlopen. Na de periode van Koning David spelen de Filistijnen nauwelijks nog een rol als vijand van Israël. Het zijn dan de grootmachten van die tijd, de Assyriërs en de Egyptenaren, die deze rol hebben overgenomen. Een steeds groter wordende rol wordt er dan ook gespeeld door het bekende thema dat het vele kwaad dat al deze vreemdelingen Gods volk aandoen een straf van God is, die door God gewild is, vanwege de zonden die Gods volk heeft begaan.
Hoe je het ook keert of wendt, vreemdelingen zijn in de bijbel niet populair. Over mensen van andere ‘stam’ en met een andere godsdienst is de bijbel niet positief, zoals de verhalen over de Filistijnen illustreren, zeker wanneer je de LXX er naast legt. Ook wanneer de hoofdfiguren van het Oude Testament zelf vreemdeling zijn, koesteren ze geen enkele illusie over hun eigen positie. Ze weten dat ze tot slaaf gemaakt worden, onwelkom zijn, en het nagenoeg zonder rechten moeten stellen.
Maar de echte nekslag voor de ideologie van de multiculturele samenleving, en de wens om vreemdelingen hun eigen rechtssysteem, bijvoorbeeld de sharia, geheel of gedeeltelijk maar te laten, geeft natuurlijk Exodus 12:49. Daar lezen we: thora akhat yihye la-ezrakh we-la-geer, ‘enerlei wet zij er voor de ingeborene en voor de vreemdeling’. Dat komt dicht bij het ferme en glasheldere standpunt van Ahmed Marcouch, stadsdeelraadvoorzitter van Amsterdam-Slotervaart: iedereen in Nederland heeft de Nederlandse wet te respecteren, ongeacht zijn afkomst, zijn klederdracht, zijn theologie, zijn bloeddruk of zijn hobby’s.
1) Hans Jansen, De vreemdeling en de Bijbel, Amsterdam (Amsterdam University Press) 2007, pp. 15-21
Door:
Wim van Schaik
(voor www.ejbron.wordpress.com)















































Ik mis hem nog steeds.
LikeGeliked door 1 persoon
Een klein jaar voor zijn dood heb ik hem persoonlijk ontmoet.
Een zeer bescheiden en integere man.
Hij gaf en lezing uiteraard over de Koran en wat mij daarvan is bijgebleven en wat ik vooral erg komisch vond, was zijn interpretatie van de ‘7 bruiden’.
Hij was als arabist zeer goed in staat de Koran te vertalen en vertelde dat ze in het hiernamaals geen 7 bruiden kregen, maar 7 druiven.
Waarop ik dacht ‘ik hoop dat deze druiven godsallemachtig zuur zijn’.
Tevens vertelde hij dat de oude Koran zo moeilijk te begrijpen was, dat zelfs de imams het niet 100% zeker wisten wat er bedoeld werd.
Hij was een pracht mens.
LikeGeliked door 2 people
mwah
hij had ook aan kunnen halen zo er staat
‘vermeng u niet met de buurvolken’
met de opmerking “want u gaat hun ideeën achterna’
[=importing sh*thole will become sh*thole]
was korter geweest
LikeGeliked door 2 people
MOOI OM ZIJN NAAM NOG EVEN VOORBIJ TE LATEN KOMEN ..
DAN BEN JE NOG NIET VERGETEN
R.I.P. KANJER
OOM BOB
LikeGeliked door 1 persoon
Laatste speech van de veel te vroeg overleden, ECHTE islamspecialist
Hans Jansen:
Toen waarschuwde hij al dat de nieuwe vijand* reeds lang
onder ons is, terwijl u dit leest.!!
* Deze kent u al… https://tinyurl.com/5rv7vxb
LikeGeliked door 2 people
SGP-jongere Mathijs v.d.Tang:
Moslims eruit!
https://www.trouw.nl/politiek/anti-islamuitspraak-brengt-sgp-jongeren-in-verlegenheid~b823e7b9/
LikeLike
Het is fijn Hans Jansen weer te lezen. Hij is zo ongelooflijk precies in zijn uitleg!
Wellicht doet hij dit wel op een andere plek in het boek dat Wim aanhaalt, maar een ontleding van het woord ‘vreemdeling’, zoals Jansen dit met verschillende andere woorden doet, zou welkom zijn.
Tot zover mijn kennis over dit woord ‘vreemdeling’ gaat, was dit een persoon die niet alleen van buiten de gemeenschap kwam, maar zeer waarschijnlijk ook een uitgestotene uit de eigen gemeenschap was, anders zou deze geen vreemdeling zijn.
Een individu zocht/ zoekt altijd fysieke veiligheid. Heeft hij of zij die, dan zal deze niet snel handelingen verrichten, of taal bezigen, die die veiligheid op losse schroeven zet. Het kan natuurlijk zijn dat er een nieuwe macht in de eigen gemeenschap is opgekomen die andere normen en waarden introduceert, waardoor iemand zich niet langer thuis voelt en ervoor kiest de gemeenschap te verlaten. Dan wordt deze vreemdeling.
Het kan ook zijn dat de macht in de eigen gemeenschap ongewijzigd is gebleven, en dat de persoon in kwestie zelf taal bezigt die strijdig is met de heersende mores. In dat geval wordt zo’n persoon door de gemeenschap verbannen, wat inhoudt dat deze alle (rechts-) bescherming verliest. Ook in deze situatie wordt deze persoon vreemdeling.
Wanneer zo’n vreemdeling aanlandt bij een andere gemeenschap, is het voor die gemeenschap raden naar de reden van het vreemdelingschap van deze persoon: is hij of zij onheus bejegend en van rechten beroofd? Of is hij/ zij een amokmaker die de eigen gemeenschap schade toebracht? Zou dat laatste het geval zijn, dan zou de ontvangende gemeenschap er goed aan doen de vreemdeling niet toe te laten, of anders aan hem of haar zeer strenge eisen te stellen.
Het stellen van eisen aan vreemdelingen door de gemeenschap heeft in onze tijd plaatsgemaakt voor het a priori (dus zonder kennis vooraf) verlenen van rechten aan vreemdelingen. Een onderzoek instellen met als doel de eigen gemeenschap te beschermen (dus niet het van tevoren uitsluiten van de vreemdeling) is zo onmogelijk geworden.
Voeg daarbij dat het navoelen van risico’s door gemeenschapsleden wordt uitgeschakeld door tot dogma verworden wetgeving, en het democratisch spel van een bewuste gemeenschap wordt gezien als een zonde tegen de wet, en daarmee de rechtsstaat.
Nog een aantal opmerkingen:
1. mij is opgevallen dat het woord ‘vreemdeling’ tegenwoordig nauwelijks meer gebruikt wordt
2. overal waar gekozen wordt voor wetgeving faalt de gemeenschap
3. wetgeving en rechtsstaat impliceren een derde (veronderstelt) neutrale partij.
4. Zij die wetgeving en rechtsstaat bepleiten geven daarmee hun individuele én gemeenschapssoevereiniteit op ten gunste van een derde partij, én
5. kennen wet, rechtsstaat en rechterlijke macht een oordeelsvermogen van een hogere orde toe dan zijzelf bezitten.
6. Dit laatste betekent dat individu en gemeenschap zelf het vermogen tot oordelen, en daarmee de vrijheid van meningsuiting, uitschakelen.
Ik geef toe, het opgeven van rechtsstaat en wet ten gunste van het oordeelsvermogen van de gemeenschap en individu zou een terugkeren naar ‘af’ betekenen. In ieder geval zou het wel een goed ding zijn de hele invoer van wet en rechtsstaat tegen de oorspronkelijke achtergrond toch op zijn minst eens grondig te evalueren.
LikeLike
Marc zegt:
5 mei 2023 om 11:14
IK GA EFFE EEN LEKKER SOFTIJSSIE HALEN
ALS U HET NIET ERG VINDT ??
IK HEB NIKS MET “”LIKKEN AAN KINDERPOSTZEGELS “”
LATERRRRR PFFFFFTTTTTTT
LikeLike
Als het maar strachiatella is. 🙂
LikeLike
Marc zegt:
5 mei 2023 om 16:57
MARC DAT IS MIJN LIEVELINGS IJSSIE MAAR EERST SOFTIJS
IK BEGREEP GEEN FLIKKER VAN .WAT JE NOU WILDE ZEGGEN
MAAR JE BENT EEN AARDIGE GOSER. MET MEESTAL GAVE REACIES
DUS WAS GRAPJE HOOR
HUGGIE
BOBBOBOBOBOBOBOOB
LikeLike
Kort gezegd komt het erop neer dat je niet kan weten of een vreemdeling goedgezind of kwaadgezind is, dat je daarom beter voorwaarden kan stellen.
Onze wetten stellen echter dat we alle vreemdelingen sowieso moeten toelaten omdat ze ‘vluchteling’ zijn, zonder verdere voorwaarden te stellen.
Daarom zeg ik dat we er nog eens over na moeten denken of een volk zichzelf regeert en dus wel voorwaarden kan stellen aan vreemdelingen, of dat we dat aan wetgevers over laten waarbij het volk alle invloed verliest.
LikeLike
Hans Jansen had een website…
http://www.arabistjansen.nl
Bestaat helaas niet meer, stonden zeer leerzame artikelen
op zoals: de koran als jachtacte.
LikeLike
LikeLike
Marc zegt:
6 mei 2023 om 01:08
WHAHHAHAHAHA GEWELDIG EN JEZUS WAT DUIDELIJK .
WHAHAHAHAHA
DOE DAT NOU DE VOLGENDE KEER GELIJK …
DAN PLEUR IK ER 12 POINTS VAN THE ATHENS JURY ONDER
WHAHAHAHAA
DIT IS ZO KLAAR ALS EEN KLONTJE
DANK JE WEL MAKKER
MAAR ALSNOG GA IK ZO EEN IJSSIE HALEN OP MONASTIRAKI
MET STRACHIATELLA
DANK MAKKER .
OME BOBZELLUF
LikeLike